A constant commitment to innovation and excellence, and a dedication to always having our clients ‘front and center’ in everything we do, are just some of the reasons MLS should be your laboratory of choice.
Mon - Fri: 9:00AM - 5:00PM
Blood Drawing Until 4pm
(+5999) 736-8455
contact@mlscuracao.com

Related Posts

Title Image

Vademecum

(micro) Albumine

Naam bepaling: (micro)Albumine

Eenheid: mg/l 

Referentiewaarden: < 20 mg/l 

Klinische betekenis:

Albumine is het meest belangrijkste eiwitbestanddeel in plasma. Het wordt gesynthetiseerd in de levercellen. De albumine-uitscheiding kan worden weergegeven als concentratie (mg/l) of als hoeveelheid per 24 uur (mg/24uur). Als de hoeveelheid albumine in urine normaal is, spreken we over ‘normoalbuminurie’; is de hoeveelheid albumine in urine met de teststrip voor eiwit in urine aantoonbaar dan spreken we van ‘macroalbuminurie’. Het tussenliggende gebied wordt aangeduid met ‘microalbuminurie’. Proteïnurie is een algemeen begrip voor een, met teststrips, positief gevonden reactie op eiwit van glomerulaire of tubulaire oorsprong. Proteïnurie is een belangrijke aanwijzing voor een nieraandoening. In gezonde nieren wordt de passage van moleculen door de glomerulaire basaalmembraan beïnvloed door grootte, vorm, electrische lading en transglomerulaire drukgradiënt. Door structuur- en ladingsveranderingen van de negatief geladen basaalmembraan en de toename van de drukgradiënt zal de filtratie van plasma-eiwitten toenemen en leiden tot microalbuminurie. De albumine-uitscheiding wordt beïnvloed door lichaamshouding, lichamelijke inspanning, bloeddruk en door vochtinname. Hierdoor kan van dag tot dag een variatie in albumine-uitscheiding optreden van 50 – 100%. De bepaling van albumine in urine wordt o.a. toegepast bij:- het vroegtijdig opsporen van diabetische nefropathie en van beginnende nierziekten met micro/macroalbuminurie en het vervolgen van het effect van intensieve behandeling- het beoordelen van de acceptatie van een niertransplantaat- uitsluiten en bevestigen van de diagnose pre-eclampsie en het vervolgen van therapie. 

Ingangsdatum: Cobas 6000, immunoturbidimetrie.Zie SOP Cobas 6000 KC034/COB. 

Matrix: Urine; 24 uurs of urineportie .Bij voorkeur urineportie, ratio microalbumine/kreatinine 

Volume: Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 6 µL. 

Frequentie: Dagelijks.

Voorbereiding: NVT

Afnamecondities: KT 

Transportcondities: KT 

5-HIAA (24u)

Naam bepaling: 5-HIAA (24u) 

Eenheid: mg/24u 

Referentiewaarden: 5-HIAA: <10.0 mg/24u (Bijsluiter 5-HIAA ELISA IBL)

Klinische betekenis: 

5-HIAA (5-hydroxy-3-indolazijnzuur) is het belangrijkste afbraakproduct van serotonine. Serotonine is een neurotransmitter dat een belangrijke rol speelt bij perifere en centrale neurotransmissie, handhaving van de homeostase, regulatie van het slaappatroon, regulatie van de eetlust, contractie van glad spierweefsel in het maag-darmkanaal, bloedvaten en bronchiën. Serotonine wordt in het enterochromaffine weefsel van het maag-darmkanaal, in trombocyten, en in specifieke delen van de hersenen geproduceerd uit het aminozuur tryptofaan. Tryptofaan wordt in 5-hydroxytryptofaan (5-HTP) omgezet, dat vervolgens door decarboxylering in serotonine wordt verwerkt. Serotonine wordt vervolgens in 5-HIAA (5-hydroxy-3-indolazijnzuur) afgebroken en uitgescheiden in de urine. 

Een verhoogde 5-HIAA urine concentratie is kenmerkend voor carcinoïd tumoren. Carcinoïd tumoren zijn meestal klein en groeien/metastaseren relatief langzaam. Deze tumoren worden op grond van hun oorsprong geclassificeerd in 3 groepen: tumoren van de voordarm (bronchus, slokdarm, maag, doudenum, pancreas), tumoren van de middendarm (jejunum, ileum, rechter gedeelte van het colon), en tumoren van de einddarm (linker gedeelte van het colon, rectum).  

De 5-HIAA bepaling wordt gebruikt voor de diagnose en follow-up van carcinoïd tumoren. Middendarm carcinoïd tumoren produceren en scheiden grote hoeveelheden serotonine uit, wat leidt tot verhoogde 5-HIAA urine concentratie bij vrijwel alle middendarm carcinoïd tumoren. Voordarm carcinoïd tumoren produceren voornamelijk 5-HTP, dat in verschillende weefsels wordt omgezet in serotonine. De meeste einddarm carcinoïd tumoren produceren weinig tot geen 5-HTP, serotonine of 5-HIAA. Voor- en einddarm carcinoïd tumoren leiden in tegenstelling tot middendarm tumoren zelden tot verhoogde 5-HIAA urine concentratie.

Ingangsdatum: 

Enzyme-Linked ImmunoSorbent Assay, ook wel ELISA genoemd, is een biochemisch techniek dat gebruikt wordt voor het opsporen van antilichamen en/of antigenen in lichaamsvloeistoffen zoals urine. ELISA techniek is gebaseerd op de vorming van specifieke bindingen tussen antilichamen en antigenen. Voor deze methode wordt er gebruik gemaakt van 96-putjes microtiter platen, waarvan de oppervlakte van elk putje gefixeerd is met een onbekende hoeveelheid antilichamen. Een bepaalde hoeveelheid urine wordt aan de putjes toegevoegd. Specifieke gebiotinyleerde antigenen in de urine vormen een antigeen-antilichaam complex met de gefixeerde antilichamen. Alle niet gebonden gebiotinyleerde antigenen worden weggewassen. Vervolgens wordt een specifiek anti-biotin antilichaam toegevoegd, die chemisch gebonden is aan alkalische fosfatase. Het anti-biotin antilichaam herkent en bindt aan het gebiotinyleerde antigeen-antilichaam complex. Als laatste wordt een substraat toegevoegd die door alkalische fosfatase omgezet kan worden in een kleurstof. De hoeveelheid kleurstof kan gemeten worden en is een mate voor de hoeveelheid antigeen in de urine.

Matrix: Urine opgespaard gedurende 24 uur 

Volume: Minimaal 10 ml urine monster 

Frequentie: 1x per week 

Voorbereiding: Het gebruik van bepaalde voedingsmiddelen en medicijnen (zie storende factoren) wordt tenminste 3 dagen vóór en tijdens de verzamelperiode afgeraden. 

Afnamecondities: KT 

Transportcondities: KT 

ACTH

Naam bepaling: ACTH 

Eenheid: pg/ml  (1 pg/ml komt overeen met 0.2202 pmol/l) 

Referentiewaarden: 4.7 â 48.8 pg/ml 

Klinische betekenis:  

Adrenocorticotroop hormoon (ACTH) is een polypeptide uit de hypofysevoorkwab. Het ACTH-gehalte in plasma wordt door drie mechanismen gecontroleerd: het dag-nachtritme, de negatieve terugkoppeling in de hypothalamus-hypofyse-bijnieras (CRH-ACTH-cortisol) en de invloed van stress die de beide andere mechanismen kan overvleugelen. Naast de primaire betekenis voor het bijnieras is er ook enige invloed op de vet- en koolhydraatstofwisseling en is er sprake van melanotrope activiteit. Bepaalde niet-hypofysaire tumoren kunnen ectopisch ACTH produceren met dezelfde werking als hypofysair ACTH (o.a. kleincellig longcarcinoom). De ACTH-gehalte is bij de ziekte van Addison verhoogd. Ectopische ACTH-productie kan ook leiden tot sterk verhoogde ACTH concentraties. Hypothalame of hypofysaire uitval of een cortisolproducerende bijniertumor leiden daarentegen tot verlaagde ACTH concentraties. Vrouwen hebben gemiddeld een lager ACTH-gehalte dan mannen. De ACTH concentratie is onafhankelijk van de leeftijd. 

Ingangsdatum: 

LIAISON Classic analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA) Zie SOP LIAISON Classic SC035/LIA 

LIAISON XL analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA) Zie SOP LIAISON XL SC052/LIAXL 

Matrix: Ingevroren EDTA-plasma. 

Volume: 300 µl (150 µl materiaal + 150 µl dood volume) 

Frequentie: 2x per week 

Voorbereiding: NVT 

Afnamecondities: KT 

Transportcondities: In een bekertje met water en ijs 

Alanine-aminotransferase (ALAT)

Naam bepaling: Alanine-aminotransferase (ALAT) 

Eenheid: U /l 

Referentiewaarden: m: < 45 U/lv: < 34 U/l 

Klinische betekenis:  

Het enzym ALAT wordt hoofdzakelijk aangetroffen in het cytoplasma van de levercellen en is in geringere mate aanwezig in nieren en hart. Een verhoogde waarde van ALAT-activiteit vinden we bij levercel-necrose veroorzaakt door bijvoorbeeld alcoholmisbruik, hepatitis, levercirrose, levertumoren en bij intoxicaties. ALAT is een vrij specifieke marker voor leverschade. 

Ingangsdatum:  

Cobas 6000, Kal. 2000/Alanine Aminotransferase conform IFCC, 

37 °C, Tris zonder Pyrid. fosfaat activatie. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 9 µl. 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT 

Afnamecondities:  KT 

Transportcondities:  KT 

Albumine

Naam bepaling: Albumine 

Eenheid: g/dl 

Referentiewaarden: Ondergrens 3.4 g/dl                     Bovengrens 5.1 g/dl 

Klinische betekenis:  

Albumine is het meest voorkomende eiwit in plasma. Albumine wordt gesynthetiseerd in de lever. Het handhaaft de colloïd osmotische druk en is een transporteiwit voor vele stoffen. Een verhoogde albumine concentratie kan voorkomen bij uitdroging, waarbij een aanvullende Hb of Na bepaling van nut kan zijn. Een sterk verlaagde albumine concentratie wordt gevonden bij ernstige leverfunctiestoornissen, bij ondervoeding, bij een slechte opname in het spijsverteringsysteem, eiwitverlies in de urine (nefrotisch syndroom, glomerulonefritis, diabetes), chronische ontstekingen, maligniteiten (myeloom) en bij ernstige brandwonden. Ook bij ascites wordt vaak een lage albumine gevonden. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, colorimetrisch, broomkresolgroen, automatisch, discreet. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 2 µL. 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT 

Afnamecondities:  KT 

Transportcondities:  KT 

 

Alkalische fosfatase

Naam bepaling: Alkalische fosfatase 

Eenheid: U/l 

Referentiewaarden: Leeftijdafhankelijk! Kinderen ≤ 18 jaar: Zie Referentiewaarden bij kinderen KC041/RWK Volwassenen: M: < 115 U/l V: < 98 U/l 

Klinische betekenis:  

Het enzym alkalische fosfatase komt in het bijzonder in de lever, bot, darm, nier, placenta en long voor. Verhoogde waarden vinden we in geval van een verhoogd botmetabolisme of bij leverproblemen zoals een obstructie van de galafvoer, tumoren en in mindere mate bij ontstekingen of vergiftiging van de lever. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Kal. 2000/enzymatisch gestandaardiseerd conform IFCC, 37 °C AMP buffer. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 2.8 µl. 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT 

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Amylase

Naam bepaling: Amylase 

Eenheid: U/l 

Referentiewaarden: < 107 U/l (serum) < 600 U/l (urine) 

Klinische betekenis:  

Het enzym amylase wordt geproduceerd in de pancreas en in de speekselklieren en wordt ook aangetroffen in vele weefsels zoals testes, ovaria, long en vetweefsel. Amylase komt voor in twee hoofdvormen: P(ancreas) en S (peeksel) amylase. Het enzym functioneert bij afbraak van polysacchariden in de spijsvertering. De werking begint bij menging met het voedsel in de mond en in de dunne darm wordt de koolhydraatafbraak voltooid. Serumamylase is verhoogd bij diabetische ketoacidose, acute en chronische pancreatitis, pancreastumoren met obstructie. Hoge amylasewaarden (S-type) komen voor bij ovarium en longtumoren. Een lichte verhoging van het serumamylase kan in elk bovenbuikproces voorkomen. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Enzymatisch colorimetrisch, p-nitrophenol conform IFCC. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum, urine. 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 4 µl. 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT 

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

ANA Screen

Naam bepaling: ANA Screen 

Eenheid: Index waarde 

Referentiewaarden: < 1.5 indexInterpretatie resultaten:Negatief: < 1.5 indexPositief: ≥ 1.5 index 

Klinische betekenis:  

Het menselijke lichaam beschikt over een immuunsysteem dat het lichaam beschermt tegen ziekteverwekkers zoals virussen, bacteriën, schimmels en kankercellen. Het immuunsysteem reageert op de aanwezigheid van lichaamsvreemde cellen/stoffen, ook wel antigenen genoemd, door een immuunreactie op gang te zetten en specifieke antilichamen aan te maken. In sommige gevallen kan het immuunsysteem ook lichaamseigen cellen en stoffen als lichaamsvreemd aanzien. De aanmaak van antilichamen tegen lichaamseigen cellen, auto-antilichamen, leidt tot het ontstaan van auto-immuunziekten. Antilichamen gericht tegen bestanddelen van de celkern, ook wel antinucleaire antistoffen of ANA genoemd zijn betrokken bij het ontstaan van verschillende auto-immuunziekten. Bij een positieve ANA uitslag zullen de ENAs (extraheerbare nucleaire antigenen) en de anti-dsDNA getest worden. ENAs zijn korte RNA ketens die in de celkern of het cytoplasma van eukaryoten voorkomen. Tot deze groep behoren antilichamen tegen ribonucleoproteïnepartikels (RNPs) zoals kleine nucleaire RNPs (nRNP en Sm), antilichamen tegen kleine cytoplasmatische RNPs (SSA/Ro en SSB/La), antilichamen tegen tRNA synthetases (Jo-1), en antilichamen tegen Scl-70 antigenen.

Ingangsdatum:  LIAISONâ analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA). Zie SOP LIAISONâ SC035/LIA. 

Matrix:  Serum 

Volume:  170 µl (20 µl materiaal + 150 µl dood volume) 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

anti HBc

Naam bepaling: anti HBc 

Eenheid: Index 

Referentiewaarden: Negatief: Index ≧1.0 Positief: Index <0.9Patiëntenmonsters met anti-HBc titers variërend tussen +/- 10% van de cut-off waarde moeten opnieuw in duplo worden getest zodat het initiële resultaat kan worden geconfirmeerd. Samples die herhaaldelijk pos 

Klinische betekenis: 

De methode voor kwalitatieve determinatie van anti-HBc is een twee-staps competitieve chemieluminescentie antistofbepaling (CLIA). Recombinant HBcAg wordt gebruikt voor coating van magnetische partikels (vaste fase) en antistoffen tegen HBcAg (muis monoklonaal) zijn gelinked aan een isoluminol derivative (isoluminol-antistof conjugaat). Tijdens de eerste incubatie bindt anti-HBc aanwezig in calibratoren, monsters en controles aan een gefixeerd en gelimiteerd aantal recombinant HBcAg gebonden aan de vaste fase. Tijdens de tweede incubatie, verbindt het antistof conjugaat de nog vrije epitopen van het vaste fase recombinant HBcAg. Na elke incubatie wordt het ongebonden materiaal verwijderd tijdens een wasstap. Hierna wordt het starter reagens toegevoegd en een chemieluminescentie flits reactie wordt geïnduceerd. Het lichtsignaal en dus de hoeveelheid van het isoluminol-antistof conjugaat wordt gemeten door een fotomultiplicator als relative light units (RLU) en is een omgekeerde indicatie van de anti-HBc concentratie aanwezig in calibratoren, monsters of controles. 

Hepatitis is een ontstekingsziekte van de lever en kan het orgaan ernstig beschadigen. De ziekte kan veroorzaakt worden door een niet infectieuze oorzaak of van infectieuze virale en bacteriële middelen.  

Virale hepatitis B is endemisch over de wereld. De infectie wordt in eerste instantie verspreid door percutaan contact met geïnfecteerd bloed, bijvoorbeeld door gedeelde naalden door druggebruikers of transfusie van bloed producten die niet gescreend zijn op HBV. Het hepatitis B virus (HBV) wordt tevens gevonden in praktisch elk type van humane lichaamsvloeistoffen en is bekend door verspreiding door oraal en genitaal contact. HBV kan perinataal worden overgedragen van moeder op kind. 

De incubatieperiode voor hepatitis B is gemiddeld 90 dagen (range: 40-180 dagen). Voorkomende symptomen zijn malaise, koorts, gastro-enteritis, en geelzucht. HBV infectie kan leiden tot icterische hepatitis; subklinische niet-icterische hepatitis; fulminante hepatitis; chronisch actieve of persisterende hepatitis. Meer dan 90% van de volwassen patiënten met hepatitis B herstellen volledig van de acute ziekte, ongeveer 1% overlijdt aan fulminante hepatitis, en ongeveer 6 tot 10% wordt chronisch actief of persisterende dragers. 

Tijdens een acute hepatitis B infectie zijn totaal en IgM anti-HBc detecteerbaar in serum kort voor het begin van de klinische symptomen en kort na het optreden van hepatitis B oppervlakteantigeen (HBsAg). In situaties waarbij de hepatitis B infectie verbeterd, is totaal anti-HBc ook detecteerbaar gedurende de window fase gevolgd door afname van HBsAg en alvorens de ontwikkeling van antistof tegen HBsAg (anti-HBs). In gevallen van asymptomatische of subklinische hepatitis B, volgt de detecteerbaarheid van totaal anti-HBc hetzelfde patroon als bij een acute symptomatische infectie. In deze gevallen echter zijn HBsAg en hepatitis B e antigeen (HBeAg) slechts een korte periode aanwezig of mogelijk niet detecteerbaar. Daarom moet detectie van totaal anti-HBc en/of totaal anti-HBs worden gebruikt als bewijs van een eerdere HBV infectie bij deze patiënten. 

IgG anti-HBc antistoffen ontwikkelen kort na het begin van een hepatitis B infectie en persisteren in de tijd bij alle patiënten die eerder geïnfecteerd zijn met hepatitis B, ongeacht het resultaat van de infectie. Hoewel gedurende de prodromale, acute en vroege herstelfase van een hepatitis B infectie, bestaat anti-HBc voornamelijk als IgM antistof. De IgM antistof titer neemt af en verdwijnt in de tijd (gebruikelijk in ongeveer 6 maanden). 

Bij patiënten met een chronische hepatitis B infectie of een asymptomatisch chronisch dragerschap verschijnt HBsAg gedurende de incubatiefase van de ziekte en kan jarenlang persisteren mogelijk levenslang. Totaal anti-HBc verschijnt tevens gedurende deze vroege fase, de titer verhoogt en persisteert in de tijd; de hoogste totaal anti-HBc titers worden gevonden bij patiënten met chronische HBsAg dragerschap. Bij een chronische infectie is het totaal anti-HBc antistof detecteerbaar in combinatie met andere hepatitis B serologische markers. 

In een klein percentage van de gevallen vermindert het totaal anti-HBc in de tijd en kan terugvallen in de niet-detecteerbare range vele jaren na een hepatitis B infectie. Totaal anti-HBc kan ook niet detecteerbaar zijn in de zeer vroege stadia van een acute hepatitis B infectie. 

Totaal anti-HBc kan ook detecteerbaar zijn in de afwezigheid van andere hepatitis B markers. Deze bevinding kan een indicatie zijn van een recente infectie (patiënt in de HBsAg/anti-HBs window), of een infectie in het eerdere verleden in welk geval anti-HBs ook detecteerbaar is. Hoewel het niet mogelijk is om te discrimineren tussen een acute en chronische infectie of tussen een recente of verleden infectie alleen op basis van het totaal anti-HBc testresultaat, kunnen resultaten in combinatie met andere hepatitis B testen helpen in de determinatie van de fase van de ziekte veroorzaakt door HBV of bij het vaststellen van een blootstelling aan HBV in het verleden. 

Ingangsdatum:  LIAISON XL analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA) Zie SOP LIAISON XL SC052/LIAXL 

Matrix:  Serum of plasma. 

Volume:  260 µl (110 µl materiaal + 150 µl dood volume). 

Frequentie:  Elke dag 

Voorbereiding:  NULL

Afnamecondities: NULL

Transportcondities:  NULL

anti Hbe

Naam bepaling: anti Hbe 

Eenheid: Index 

Referentiewaarden: Negatief: Index ≧1.1Equivocal: Index 1.1-0.9 Positief: Index <0.9Patiëntenmonsters die een twijfelachtige reactiviteit laten zien voor Anti-HBe moeten in duplo herhaald worden om het initiële resultaat te confirmeren. 

Klinische betekenis: 

De methode voor kwalitatieve determinatie van anti-HBe is een competitieve sandwich chemieluminescentie antistofbepaling (CLIA) gebaseerd op neutralisatie. Antistoffen tegen HBeAg (muis monoklonaal) worden gebruikt voor coating van magnetische partikels (vaste fase) en zijn gelinked aan een isoluminol derivative (isoluminol-antistof conjugaat). Tijdens de eerste incubatie bindt anti-HBe aanwezig in calibratoren, monsters en controles aan een gefixeerd en gelimiteerd aantal recombinant HBeAg, en vormt een HBeAg-anti-HBe immuuncomplex. Tijdens de tweede incubatie is er competitie tussen het antistof conjugaat en de vaste fase antistof met anti-HBe aanwezig in het monster aan recombinant HBeAg zodat het conjugaat bindt aan de vaste fase en zo een sandwich vormt. Als alle toegevoegde HBeAg gebonden is in een HBeAg-anti-HBe immuuncomplex tijdens de eerste incubatie, wordt geen sandwich gevormd tijdens de tweede incubatie. Na de tweede incubatie wordt het ongebonden materiaal verwijderd tijdens een wasstap. Hierna wordt het starter reagens toegevoegd en een chemieluminescentie flits reactie wordt geïnduceerd. Het lichtsignaal en dus de hoeveelheid van het isoluminol-antistof conjugaat wordt gemeten door een fotomultiplicator als relative light units (RLU) en is een omgekeerde indicatie van de anti-HBe concentratie aanwezig in calibratoren, monsters of controles. 

Hepatitis is een ontstekingsziekte van de lever en kan het orgaan ernstig beschadigen. De ziekte kan veroorzaakt worden door een niet infectieuze oorzaak of van infectieuze virale en bacteriële middelen.  

Virale hepatitis B is endemisch over de wereld. De infectie wordt in eerste instantie verspreid door percutaan contact met geïnfecteerd bloed, bijvoorbeeld door gedeelde naalden door druggebruikers of transfusie van bloed producten die niet gescreend zijn op HBV. Het hepatitis B virus (HBV) wordt tevens gevonden in praktisch elk type van humane lichaamsvloeistoffen en is bekend door verspreiding door oraal en genitaal contact. HBV kan perinataal worden overgedragen van moeder op kind. 

De incubatieperiode voor hepatitis B is gemiddeld 90 dagen (range: 40-180 dagen). Voorkomende symptomen zijn malaise, koorts, gastro-enteritis, en geelzucht. HBV infectie kan leiden tot icterische hepatitis; subklinische niet-icterische hepatitis; fulminante hepatitis; chronisch actieve of persisterende hepatitis. Meer dan 90% van de volwassen patiënten met hepatitis B herstellen volledig van de acute ziekte, ongeveer 1% overlijdt aan fulminante hepatitis, en ongeveer 6 tot 10% wordt chronisch actief of persisterende dragers. 

Het complete hepatitis B virus (HBV) is een 42-nm diameter virion samengesteld uit een buitenoppervlak of een envelop die het hepatitis B oppervlakte antigeen (HBsAg) draagt. De envelop omvat de binnenste kern (inner core) die het hepatitis B kern antigeen (HBcAg) draagt. Binnen de kern is het HBV-DNA genoom. Een ander antigeen, het hepatitis B e antigeen (HBeAg), is een viraal kern eiwit gevonden in de bloedbaan gedurende actieve replicatie van HBV. 

HBV is erg moeilijk te isoleren in celkweek, om deze reden wordt de diagnose van hepatitis B gebaseerd op de detectie van serologische markers. Het testen op deze markers helpt bij de determinatie van een verleden of een acute HBV infectie, de acute of chronische fase van de ziekte, reactie op therapie, en/of de immuunstatus van de patiënt. 

Tijdens een acute hepatitis B infectie, HBeAg, samen met HBsAg en HBV-DNA wordt detecteerbaar in patiëntenserum gedurende de incubatie periode, voor het begin van klinische symptomen. Gedurende het verschijnen van de klinische symptomen, titers van HBeAg, HBsAg en HBV-DNA komen op en dalen daarna weer. HBeAg verdwijnt normaal gesproken voor het verdwijnen van HBsAg; hoewel in de minderheid van de gevallen het tegenovergestelde gebeurt. Anti-HBe komt op in het serum nadat HBsAg niet langer detecteerbaar is, en kan verschillende jaren na genezing van een acute HBV infectie bij de patiënt persisteren. 

Een positief test resultaat voor anti-HBe heeft verschillende interpretaties. Bij een patiënt met acute hepatitis B geeft een positief resultaat voor anti-HBe een normaal herstel aan, vooral wanneer HBsAg en HBeAg niet langer detecteerbaar zijn in het serum. Bij chronische dragers van HBV geeft een positief anti-HBe resultaat, inactiviteit aan van het virus en een verlaagde waarschijnlijkheid dat de patiënt besmettelijk. Bij patiënten met een chronische lever aandoening veroorzaakt door hepatitis B, geeft de overgang van een positieve HBeAg test naar een positief resultaat voor anti-HBe normaal gesproken verbetering aan en resolutie van de actieve ziekte. Hoewel infectie met een mutante HBV stam, zoals recent waargenomen bij patiënten uit Azië of het Mediterraans gebied, een abnormaal patroon geeft van serologische resultaten. Deze stam is gekarakteriseerd door een mutatie in het pre-kerngebied van het virale genoom welke HBeAg secretie voorkomt desondanks voortdurende virusreplicatie, hoge HBV-DNA titers en een actieve lever ziekte. In deze situatie kan een positief anti-HBe resultaat worden verkregen ondanks actieve replicatie en progressie van de leverziekte. 

Ingangsdatum:  LIAISON XL analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA) Zie SOP LIAISON XL SC052/LIAXL 

Matrix:  Serum of plasma. 

Volume:  240 µl (90 µl materiaal + 150 µl dood volume). 

Frequentie:  Elke dag 

Voorbereiding:  NULL 

Afnamecondities:  NULL 

Transportcondities:  NULL 

Anti-CCP

Naam bepaling: Anti-CCP 

Eenheid: U/mL 

Referentiewaarden: Negatief 

Klinische betekenis:  

De anti-cyclische, gecitrullineerde peptiden (anti-CCP) bepaling wordt (eventueel in combinatie met de RF-bepaling) toegepast bij de diagnostiek van reumatoïde artritis (RA); vooral bij de vroege verdenking. RA is één van de meest voorkomende auto-immuunziekten. De diagnose van RA is vaak gebaseerd op klinische manifestaties en laboratoriumtesten zoals reumatoïd factor (RF) en C-reactieve proteïn (CRP). RF is echter niet specifiek voor RA en kan voorkomen bij gezonde bejaarden of in patiënten met andere auto-immuun en besmettelijke ziekten terwijl CPR een algemene ontstekingsmerker is. 

Anti-CCP antistoffen worden vrijwel uitsluitend bij patiënten met RA aangetroffen (de specificiteit is hoog; in diverse studies 98-100%). Bij juveniele RA en andere gegeneraliseerde auto-immuunziekten komen anti-CCP antistoffen vrijwel niet voor.  

Bij RA-patiënten wordt een gedeeltelijke overlap gevonden met positiviteit voor reumafactoren (RF) en bepaling van de anti-CCP heeft toegevoegde waarde. 

Ingangsdatum:  Cobas e411, electrochemiluminiscentie. Zie SOP Cobas e411. 

Matrix:  Serum  

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 15 µL. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT 

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

anti HBs

Naam bepaling: anti HBs 

Eenheid: mIU/ml

Referentiewaarden: < 10 mIU/ml 

Klinische betekenis: 

Hepatitis B-virus (HBV) is een hepa-DNA-virus dat via onbeschermd seksueel contact en via bloedcontact wordt verspreid. HBV-infectie kan zich in verschillende vormen voordoen: asymptomatisch, symptomatisch, tijdelijk (spontaan genezend), en chronisch. Er is sprake van de ziekte “hepatitis B” als de recente of chronische HBV-infectie tot symptomen leidt. Op langer termijn kan een chronische HBV-infectie leiden tot complicaties zoals levercirrose en leverkanker. De anti-HBs bepaling berust op het aantonen van antilichamen gericht tegen het virale manteleiwit hepatitis B surface antigeen (HBsAg). Deze antilichamen worden gevormd als gevolg van een hepatitis B infectie of na vaccinatie. Een positief anti-HBs (> 10 IE/l) geeft aan dat er waarschijnlijk levenslange immuniteit bestaat tegen hepatitis B-virus infectie.

Ingangsdatum:  Cobas 6000, electrochemiluminiscentie, sandwich principe. Zie SOP Cobas 6000 KC034/COB. 

Matrix: Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte  hoeveelheid monster 40 µl. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NULL

Afnamecondities:  NULL

Transportcondities:  NULL

 

Antistreptolysine-O (ASO)

Naam bepaling: Antistreptolysine-O (ASO) 

Eenheid: IU/ml 

Referentiewaarden: Volwassenen: < 200 IU/ml                            Kinderen  : < 150 IU/ml 

Klinische betekenis:  

Antistreptolysine O is een hemolysine dat geproduceerd wordt door streptokokken van groep A, C en G en dat aanleiding geeft tot een immuunrespons. Groep A streptokokken veroorzaken verschillende infecties waaronder huidaandoeningen of amandelontsteking die gevolgd kunnen worden door glomerulonefritis, acute endocarditis en accute reuma. De hoogte van de antistoftiter tegen streptomycine O wordt bepaald. Deze infecties kunnen later leiden tot schade aan hart en nieren. De vroegtijdige diagnose, efficiënte behandeling en monitoring van de patiënt kan deze risico’s beperken. De antistreptolysine-titer begint in de eerste ziekteweek te stijgen en bereikt na enkele weken een top en daalt daarna geleidelijk in het verloop van meerdere maanden. De hoeveelheid antistoffen wordt uitgedrukt in IU/ml. Een ASO van 200 IU/ml of meer wordt positief genoemd. De gemiddelde titer in gezonde personen is sterk leeftijdsafhankelijk met een piek in de leeftijdsgroep tussen 9 en 12 jaar. Het aantonen van een titerstijging in gepaarde sera is dan ook belangrijker dan een eenmalig hoge titer. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Immunoturbidimetrisch. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum  

Volume:  Bij de analyse gebruikte  hoeveelheid monster 2 µL. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Anti-TG

Naam bepaling: Anti-TG 

Eenheid: IU/ml 

Referentiewaarden: Negatief 

Klinische betekenis:  

Thyreoglobuline (TG) wordt geproduceerd in de schildkier. TG heeft samen met het enzym thyroïd-specifiek peroxidase (TPO) een essentiële functie in de vorming van de schildklierhormonen T4 (thyroxine) en T3 (tri-joodthyronine). TG en TPO zijn beide potentieel autoantigenetisch. De aanwezigheid van hoge concentraties autoantistoffen tegen TG en TPO is in principe abnormaal en gecorreleerd met hypothyreoïdie. Voor het stellen van een diagnose en vervolgen van de therapie zijn een TSH en FT4-bepaling noodzakelijk. De anti-Tg bepaling is belangrijk bij o.a. de diagnostiek en differentiatie bij verdenking op schildklierauto-immuunziekten (Hashimoto thyreoditis, primaire hypothyreoïdie en ziekte van Graves). 

Bij een hyperthyreoïdie (ziekte van Graves) komen antistoffen tegen TG en TPO minder frequent voor en over het algemeen in lage titers. Lage titers antistoffen tegen TG en TPO worden ook aangetroffen bij gezonde volwassenen. 

Aanvankelijk verhoogde titers kunnen negatief worden na lange ziekteperiodes of gedurende herstel. Het opnieuw verschijnen van antistoffen na herstel, betekent waarschijnlijk opnieuw optreden van de ziekteverschijnselen. 

Voor patiënten met auto-immuunziekten van andere endocriene organen heeft de aanwezigheid van hoge titers TG of TPO antistoffen een hoge voorspellende waarde voor het ontwikkelen van schildklier auto-immuniteit in de toekomst

Ingangsdatum:  Cobas e411, electrochemiluminiscentie; competitieve methode. Zie SOP Cobas e411

Matrix:  Serum  

Volume:  Bij de analyse gebruikte  hoeveelheid monster 10 µL.

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Anti-TPO

Naam bepaling: Anti-TPO 

Eenheid: IU/ml 

Referentiewaarden: Negatief 

Klinische betekenis:  

Thyroïd-specifieke peroxidase (TPO) is aanwezig op de microsomen van de thyrocyten (cellen van de schildklierfollikels). TPO heeft samen met het enzym thyroglobuline (TG) een essentiële functie in de vorming van de schildklierhormonen T4 (thyroxine) en T3 (tri-joodthyronine). TPO is een potentieel autoantigeen. Hele hoge titers Anti-TPO kunnen gemeten worden bij hypothyreoïde, bijvoorbeeld bij de ziekte van Hashimoto, maar ze komen ook frequent voor bij hyperthyreoïde, bijvoorbeeld bij de ziekte van Graves. Aanwezigheid van hoge titers van antistoffen is abnormaal en gecorreleerd met hypothyreoïdie. Voor het stellen van een diagnose en vervolgen van de therapie zijn een TSH en FT4-bepaling noodzakelijk.  

Bij een hyperthyreoïdie (ziekte van Graves) komen antistoffen tegen TPO en TG minder frequent voor en over het algemeen in lage titers. Lage titers antistoffen tegen TPO en TG worden ook aangetroffen bij gezonde volwassenen. 

Aanvankelijk verhoogde titers kunnen negatief worden na lange ziekteperiodes of gedurende herstel. Het opnieuw verschijnen van antistoffen na herstel, betekent waarschijnlijk opnieuw optreden van de ziekteverschijnselen. 

Voor patiënten met auto-immuunziekten van andere endocriene organen heeft de aanwezigheid van hoge titer TPO antistoffen een hoge voorspellende waarde voor het ontwikkelen van schildklier auto-immuniteit in de toekomst. 

Ingangsdatum:  Cobas e411, electrochemiluminiscentie immunoassay; competitieve methode. Zie SOP Cobas e411

Matrix:  Serum  

Volume:  Bij de analyse gebruikte  hoeveelheid monster 20 µL. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

anti-tTG

Naam bepaling: anti-tTG 

Eenheid: AU/ml 

Referentiewaarden: Negatief: <8 AU/mlPositief: » 8 AU/ml 

Klinische betekenis:  

De test bepaalt of in het bloed IgA antistoffen tegen Tissue Transglutaminase (anti-TTG) aanwezig zijn. Anti-TTG is een antistof tegen een specifiek eiwit (tissue transglutaminase) dat in de darm betrokken is bij afbraak en opname van voedingsstoffen. Als anti-TTG wordt aangetoond, wijst dat meestal op overgevoeligheid voor gluten (Coeliakie). 

Wanneer iemand Coeliakie heeft, betekent dit dat het lichaam bepaalde eiwitten (gluten) die aanwezig zijn in de meeste graansoorten (zoals tarwe, haver, rogge en gerst, spelt of kamut) niet verdraagt. Daarbij worden vaak antistoffen aangetroffen tegen het enzym ’tissue transglutaminase’. Coeliakie is een zogeheten autoimmuunziekte, omdat het afweersysteem antistoffen aanmaakt tegen lichaamseigen eiwitten of cellen, in dit geval tegen tissue transglutaminase in de darmwand. 

Door de aanwezigheid van deze autoantistoffen raakt de darmwand ontstoken na het eten van gluten. Als de darmen ontstoken zijn wordt het voedsel slecht opgenomen. Hierdoor zal een groot deel van de voedingsstoffen weer met de ontlasting worden uitgescheiden. De belangrijkste klachten bij Coeliakie zijn diarree, verstopping, slecht groeien, vermoeidheid en humeurigheid. Ook komt men op den duur ijzer en vitamines tekort. 

Ingangsdatum:  LIAISON analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA). Zie SOP LIAISON SC035/LIA 

Matrix:  Serum

Volume:  170 μl (20 µl serum + 150 µl doodvolume)

Frequentie:  2x per week

Voorbereiding:  NULL

Afnamecondities:  NULL

Transportcondities:  NULL

 

Apolipoproteïne A1

Naam bepaling: Apolipoproteïne A1 

Eenheid: mg/dl 

Referentiewaarden: v: 107-205 mg/dlm: 107-177 mg/dl 

Klinische betekenis:  

Apolipoproteïnen zijn de eiwitbestanddelen van de lipoproteïnepartikels in bloed. Verschillende dichtheidsklassen lipoproteïne kunnen worden gescheiden middels ultracentrifuge. De gevonden klassen zijn: HDL, VLDL, ILDL, LDL en chylomicronen. Apolipoproteïine A1 is het voornaamste eiwitbestanddeel van HDL. HDL wordt voornamelijk in de lever en deels door de dunnedarm gesynthetiseerd met als grondstof bestanddelen van chylomicronen deeltjes. In de bloedbaan wordt cholesterol door HDL partikels opgenomen vanuit de perifere cellen en na estervorming opgeslagen. Apolipoproteïne A1 activeert het enzym, lecithine-choleserol-acyltransferase (LCAT) dat de verestering van cholesterol katalyseert.  

Apolipoproteïne A1 gehalte is verhoogd bij leverziekten, zwangerschap en gebruik van anticonceptiva. 

Een verlaagde Apoliproteïne A1 komt voor bij erfelijke hypo-α-lipoproteïnemie (Tangier disease), cholestase, sepsis en atherosclerose. 

 Apolipoproteïne A1 bepaling in combinatie met apolipoproteïne B en de berekening van de apolipoproteïne B: apolipoproteïne A1 ratio kan een lipidmetabolisme stoornis aangeven en het risico op ontwikkeling van atherosclerose of hart en vaatziekten. Een hoge apolipoproteïne A1 (HDL) en een lage apolipoproteïne B (LDL) betekent een laag risico.

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Kal. 2000/Immunoturbidimetrisch. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 9 µl. 

Frequentie:  2x per week (dinsdag en vrijdag) 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Apolipoproteïne B

Naam bepaling: Apolipoproteïne B 

Eenheid: mg/dl 

Referentiewaarden: m: 60 – 138 mg/dlv: 52 – 129 mg/dl 

Klinische betekenis:  

Apolipoproteïnen zijn de eiwitbestanddelen van de lipoproteïnepartikels in bloed. Verschillende dichtheidsklassen lipoproteïne kunnen worden gescheiden middels ultracentrifuge. De gevonden klassen zijn: HDL, VLDL, ILDL, LDL en chylomicronen. De lever synthetiseert VLDL dat voornamelijk bestaat uit triglyceriden en cholesterol. Apolipoproteïine B is het voornaamste eiwitbestanddeel van LDL. Ongeveer een derde deel van de LDL partikels levert cholesterol aan perifere cellen terwijl de restende twee derde deel gemetaboliseerd wordt door de lever.  

Apolipoproteïne B gehalte is verhoogd tijdens zwangerschap, bij hypercholesterolemie, galwegobstructie, nefrotisch syndroom en type II hyperlipidemie. 

Een verlaagde Apoliproteïne B komt voor bij leverziekten, lipoproteïnemie, sepsis en oestrogeen toediening. 

 Apolipoproteïne B bepaling in combinatie met apolipoproteïne A1 en de berekening van de apolipoproteïne B: apolipoproteïne A1 ratio kan een lipidmetabolisme stoornis aangeven en het risico op ontwikkeling van atherosclerose of hart en vaatziekten. Een hoge apolipoproteïne A1 (HDL) en een lage apolipoproteïne B (LDL) betekent een laag risico. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Kal. 2000/Immunoturbidimetrisch. Zie SOP Cobas 6000.

Matrix:  Serum  

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 6 Âµl. 

Frequentie:  2x per week (dinsdag en vrijdag) 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Aspartaat-aminotransferase (ASAT)

Naam bepaling: Aspartaat-aminotransferase (ASAT) 

Eenheid: U/l 

Referentiewaarden: m: < 35 U/lv: < 31 U/l 

Klinische betekenis:  

ASAT is een enzym dat voorkomt in zowel het cytoplasma als de mitochondriën van cellen van de lever, het hart, de nieren en de skeletspieren. Bij beschadiging van de genoemde cellen komt in eerste instantie het cytoplasmatische ASAT vrij. Bij ernstige of chronische beschadigingen komt ook het mitochondriële ASAT in het bloed en neemt de ASAT activiteit extra toe. Een verhoogde waarde van ASAT-activiteit vinden we bij: hepatitis, levercirrose, longembolie, trauma aan skeletspieren en na een hartinfarct. De hoogte van de activiteit is een maat voor de ernst van de aandoening.

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Kal. 2000/Aspartaat aminotransferase conform IFCC, 37°C, Tris zonder Pyridoxine fosfaat activatie. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum  

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 9 Âµl. 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Bilirubine

Naam bepaling: Bilirubine 

Eenheid: Semikwantitatief (-, ±, +) 

Referentiewaarden: negatief 

Klinische betekenis:  

Urinemonsters worden op de aanwezigheid van bilirubine gescreend door gebruik te maken van urine teststrips die voorzien zijn van reagenspads voor verschillende urinebestanddelen. Bilirubine reageert met een diazoniumzout tot een roodachtigbruine azo-kleurstof. Bilirubine wordt na glucuronidering in de lever via de gal in het maag-darmkanaal uitgescheiden. Bij intra- en extrahepatisch afsluiting (virale hepatiden en afsluitingsicterus komt deze geconjugeerde bilirubine in de urine terecht. In deze gevallen is de bilirubine reactie positief.

Ingangsdatum:  Aution Hybrid AU-4050; teststrip. Zie SOP Aution Hybrid AU-4050 U015/AH. 

Matrix:  Urine 

Volume:  Minimaal 2 ml. 

Frequentie:  Dagelijks van maandag tot en met zaterdag 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Bilirubine direct

Naam bepaling: Bilirubine direct 

Eenheid: mg/dl 

Referentiewaarden: < 0.2 mg/dl 

Klinische betekenis:  

Bilirubine wordt gevormd in het reticulo-endotheliale systeem als afbraakproduct van hemoglobine. Ongeveer 85% is afkomstig van oudere erytrocyten, het overige voornamelijk van onrijpe erytrocyten uit het beenmerg en van heambevattende enzymen uit de lever. Nadat bilirubine is gevormd en aan albumine gebonden, wordt het via de bloedbaan naar de lever getransporteerd waar het geconjugeerd wordt aan voornamelijk glucuronzuur. Na conjugatie wordt bilirubine uitgescheiden in de gal. Eenmaal in de dunne darm wordt een deel van de bilirubine gehydrolyseerd en 

gereduceerd tot urobilinogenen. Het overige deel van de oorspronkelijk in de gal uitgescheiden bilirubine komt na oxidatie terecht in de feces.  

Bilirubine in bloed bestaat uit vier fracties: α-bilirubine (niet-geconjugeerd), β-bilirubine (monogeconjugeerd), γ-bilirubine (digeconjugeerd) en δ-bilirubine (noncovalent en sterk gebonden aan albumine).  

α-Bilirubine en δ-bilirubine (non-covalent gebonden) vormen samen het ‘indirecte bilirubine’.  

β, γ en δ-bilirubine (sterk gebonden) vormen het ‘directe bilirubine’. 

Icterus is te classificeren in twee categorieën hyperbilirubinemie: op basis van verhoogd gehalte aan geconjugeerd bilirubine (‘direct’ bilirubine) en op basis van verhoogd gehalte aan ongeconjugeerd bilirubine (‘indirect’ bilirubine). Geconjugeerde hyperbilirubinemie is te zien bij acute hepatitis A, B of C, levertumoren, metastasen, galstenen, lymfomen, galwegtumoren en pancreaskopcarcinoom. Ongeconjugeerde hyperbilirubinemie wordt o.a. aangetroffen bij hemolytische anemie, morbus heamolyticus neonatorum, Rh-incompabiliteit, transfusiereacties, infecties en na hematomen.

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Colorimetrisch, Diazo. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 9 µl. 

Frequentie:  Dagelijks  

Voorbereiding:  NVT 

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT, Gewikkeld in bruin papier 

 

Bilirubine Totaal

Naam bepaling: Bilirubine Totaal 

Eenheid: mg/dl 

Referentiewaarden: < 1.2 mg/dl 

Klinische betekenis:  

Bilirubine wordt gevormd in het reticulo-endotheliale systeem als afbraakproduct van hemoglobine. Ongeveer 85% is afkomstig van oudere erytrocyten, het overige voornamelijk van onrijpe erytrocyten uit het beenmerg en van heambevattende enzymen uit de lever. Nadat bilirubine is gevormd en aan albumine gebonden, wordt het via de bloedbaan naar de lever getransporteerd waar het geconjugeerd wordt aan voornamelijk glucuronzuur. Na conjugatie wordt bilirubine uitgescheiden in de gal. Eenmaal in de dunne darm wordt een deel van de bilirubine gehydrolyseerd en 

gereduceerd tot urobilinogenen. Het overige deel van de oorspronkelijk in de gal uitgescheiden bilirubine komt na oxidatie terecht in de feces.  

Bilirubine in bloed bestaat uit vier fracties: α-bilirubine (niet-geconjugeerd), β-bilirubine (monogeconjugeerd), γ-bilirubine (digeconjugeerd) en δ-bilirubine (noncovalent en sterk gebonden aan albumine). α-Bilirubine en δ-bilirubine (non-covalent gebonden) vormen samen het ‘in-direkte bilirubine’. β, γ en δ-bilirubine (sterk gebonden) vormen het ‘directe bilirubine’. 

Icterus is te classificeren in twee categorieën hyperbilirubinemie: op basis van verhoogd gehalte aan geconjugeerd bilirubine (‘direct’ bilirubine) en op basis van verhoogd gehalte aan ongeconjugeerde bilirubine (‘indirect’ bilirubine). Geconjugeerde hyperbilirubinemie is te zien bij acute hepatitis A, B of C, levertumoren, metastasen, galstenen, lymfomen, galwegtumoren en pancreaskopcarcinoom. Ongeconjugeerde hyperbilirubinemie wordt o.a. aangetroffen bij hemolytische anemie, morbus heamolyticus neonatorum, Rh-incompabiliteit, transfusiereacties, infecties en na hematomen. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Colorimetrisch, 3.5-dichlorophenyl diazonium (DPD). Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum (Na afname buis wikkelen in bruin papier) 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 2 Âµl. 

Frequentie:  Dagelijks  

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT, Gewikkeld in bruin papier 

 

Bloed (erytrocyten)

Naam bepaling: Bloed (erytrocyten) 

Eenheid: Semikwantitatief (-, ±, +) 

Referentiewaarden: negatief 

Klinische betekenis:  

Urinemonsters worden op de aanwezigheid van bloed gescreend door gebruik te maken van urine teststrips die voorzien zijn van reagenspads voor verschillende  

urinebestanddelen. De detectie van erytrocyten in urinemonsters is gebaseerd op de pseudoperoxidase activiteit van hemoglobine waardoor de oxidatie van chromogeen wordt gekatalyseerd. Hemoglobine heeft peroxidase activiteit en kan door splitsing van een peroxide een kleurindicator oxideren tot een gekleurd product. Hierbij wordt zowel het vrije hemoglobine als het hemoglobine in de erytrocyt gemeten. Intacte erytrocyten lyseren op het testpapier; het vrijgekomen hemoglobine brengt een kleurreactie op gang, waardoor gekleurde stippen ontstaan. Vrije hemoglobine zorgt voor een egale verkleuring.  

Een positieve reactie van het testveld voor bloed duidt op hematurie. Een hematurie kan als symptoom optreden bij tal van ziekten en onderzoek naar de oorzaak is dan ook beslist noodzakelijk.  

• De belangrijkste oorzaken van erytrocyturie liggen in de nieren en urinewegen. Oorzaken van erytrocyturie zijn o.a. nierstenen, tumoren in de nier en urinewegen en glomerulonefritis.  

• Hemoglobinurie is een teken van afbraak van erytrocyten, intravasaal of intrarenaal in de urine. Oorzaken van hemoglobinurie zijn o.a. hemolytische anemie, verbrandingen, ernstige vergiftigingen en ernstige infectieziekten.

Ingangsdatum:  Aution Hybrid AU-4050; teststrip. Zie SOP Aution Hybrid AU-4050 U015/AH. 

Matrix:  Urine 

Volume:  Minimaal 2 ml. 

Frequentie:  Dagelijks van maandag tot en met zaterdag. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Bloedgroep en Rhesusbepaling

Naam bepaling: Bloedgroep en Rhesusbepaling 

Eenheid: Kwalitatief 

Referentiewaarden: NVT

Klinische betekenis:  

Er bestaan twee allelen (A en B) die informatie bevatten over de ABO-bloedgroepen. Daarnaast komt een stom allel O voor, die niet leidt tot een herkenbare bloedgroep. In het ABO-systeem bezit elk individu twee allelen waardoor in totaal zes mogelijke genotypen zijn (AA, AO, BB, BO, AB en OO) die in vier verschillende bloedgroepen resulteren (A, B, AB en O).  

Het ABO-systeem is voor de transfusiepraktijk het belangrijkste bloedgroepensysteem en wijkt af van ander bloedgroepensystemen, omdat ieder individu van nature (zonder voorafgaande immunisatie) antistoffen bezit tegen het bij hem/haar ontbrekende ABO-antigeen. Zo heeft iemand met bloedgroep A, anti-B-antistoffen en iemand met bloedgroep O altijd anti-A- en anti-B-antistoffen. 

Een ABO-incompatibele bloedtransfusie kan daarom leiden tot zeer ernstige, soms fatale transfusiereacties. 

De rhesusbloedgroepen worden bepaald met specifieke reagentia tegen de bloedgroepantigenen van de rhesussyteem (D, C, E, c en e). Het voornaamste antigeen van het rhesus-stelsel is het D-antigeen. De indeling in rhesus-positief (Rh+) en rhesus-negatief (Rh-) berust op de aan- of afwezigheid van het D antigeen (D+ of D-). 

Net als bij veel bloedgroepensystemen worden bij het rhesussysteem ook antistoffen (immuunantistoffen) tegen rhesusbloedgroepen gevormd. 

Rhesusantistoffen zijn gevaarlijk omdat ze bij een incompatibele bloedtransfusie of zwangerschap kunnen leiden tot snelle afbraak van erytrocyten of afstoting van de foetus. 

Ingangsdatum:

Het Diamed ID Micro Typeer systeem is gebaseerd op het bepalen van antigeen en antilichaam complexen. Samenklevende deeltjes worden gescheiden van niet-samenklevende deeltjes door middel van een bewegingsloze gel gevuld in microbuisjes  

De bepaling van de ABO-bloedgroep wordt dubbel uitgevoerd, d.w.z. zowel met monoclonale anti-A- en anti B testsera (Forward grouping) als met celsuspensie van A1 – en B-cellen (Reverse grouping). Aldus worden zowel de antigenen op de erytrocyten als de aanwezige antistoffen in het bijbehorende plasma onderzocht. De resultaten van deze bepalingen moeten complementair zijn.

Matrix:  Via een goede venapunctie ( zie SOP Bloedafname PA006/BL) wordt bloed afgenomen in een EDTA buis 

Volume:  Minimaal 1 ml. 

Frequentie:  Dagelijks  

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Bloedingstijd

Naam bepaling: Bloedingstijd 

Eenheid: Min (‘), Sec (“) 

Referentiewaarden: < 5 minuten 

Klinische betekenis:  

De bloedingstijd is afhankelijk van een aantal bij de primaire hemostase betrokken factoren zoals het aantal trombocyten, trombocytenfunctie, de aanwezigheid van circulerend Von Willebrand factor, fibrinogeen en bepaalde vaatafwijkingen. 

Verlengde bloedingstijden kunnen worden veroorzaakt door trombocytopenie. Een verlengde bloedingstijd en een normaal aantal trombocyten is een indicatie voor een trombocytopathie. Indien trombocytopenie en trombocytopathie uitgesloten zijn valt bij een verlengde bloedingstijd te denken aan o.a. de ziekte van Von Willebrand, syndroom van Bernard-Soulier en ‘storage-pool-disease’. 

De bloedingstijd wordt toegepast in het oriënterend onderzoek bij de diagnostiek van bloedingsneigingen. De bloedingstijd wordt ook toegepast om de reactie op de behandeling met vaatvernauwers te controleren bij patiënten met de ziekte van Von Willebrand.

Ingangsdatum:  

Onderin de oorlel wordt een huidleasie aangebracht door middel van een punctie.  

 Een huidleasie waarbij oppervlakkig gelegen haarvaten zijn beschadigd zal  hechting van de bloedplaatjes aan de vaatwand veroorzaken. De bloedplaatjes  vormen door aggregatie een primair stolsel, dat vervolgens door fibrinedepositie  wordt verstevigd.  

 De bloedingstijd is de maat voor de functie van de bloedplaatjes bij de vorming  van het primaire stolsel. De bloedingstijd is gedefinieerd als de tijd, die is gelegen  tussen het aanbrengen van een gestandaardiseerde huidleasie en het moment dat  de veroorzaakte bloeding stopt. 

Matrix:  De test wordt uitgevoerd via een punctie in een oorlel. 

Volume:  NVT

Frequentie:  Dagelijks  

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

CA 125

Naam bepaling: CA 125 

Eenheid: U/ml 

Referentiewaarden: < 35.0 U/ml 

Klinische betekenis:  

Carcino antigenen (CA) zijn tumormarkers die door tumorweefsel worden geproduceerd en waarvan de concentratie in een lichaamsvloeistof een maat is voor de tumorgrootte. CA 125 is een antigeen karakteristiek voor de embryonale borst- en buikholte (foetale coeloom). Alle van het coeloom afgeleide weefsels zoals het peritoneum, pleura en pericard kunnen, wanneer betrokken bij ontstekingen en maligne aandoeningen, CA 125 gaan produceren. CA 125 komt voor in sera van patiënten met ovariumcarcinoom, maar niet altijd. Het komt ook voor in sera van patiënten met andere maligniteiten en benigne ziekten of in andere vochten zoals cervixslijm, uterus en tubavocht. Serum CA 125 kan worden bepaald bij vrouwen met een echoscopisch aangetoonde ovariumtumor, CA 125 verhoging kan eventueel ontbreken.  

CA 125 kan verhoogd zijn bij o.a. zwangerschap, benigne ovariumtumoren en –cystes en ovariumcarcinoom. CA 125 heeft een beperkte waarde als hulpmiddel bij de diagnostiek van ovariumcarcinoom, maar is echter wel geschikt voor de follow-up tijdens behandeling met chemotherapie en na curatieve operaties of in combinatie. 

Na verwijdering van de tumor zal het gehalte van CA 125 in het serum snel dalen. 

Na een curatieve behandeling van het epitheliale ovariumcarcinoom is een exponentiële toename van CA 125 een sterke aanwijzing voor het opnieuw ontstaan van de tumor. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, electrochemiluminiscentie, sandwich principe. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 20 µL 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

BSE

Naam bepaling: BSE 

Eenheid: mm/uur 

Referentiewaarden: Vrouw: 50 jaar: < 20 mm/h > 50 jaar: < 30 mm/h Man: 50 jaar: < 15 mm/h > 50 jaar: < 20 mm/h 

Klinische betekenis:  

De erytrocyten bezinkingssnelheid (BSE) is de snelheid in mm/uur waarmee erytrocyten in ontstold bloed (EDTA) onder invloed van de zwaartekracht naar beneden zakken.  

Onder normale omstandigheden zal de bezinking gering zijn, doordat het soortelijk gewicht van erytrocyten niet veel van dat van plasma verschilt en erytrocyten elkaar afstoten door hun negatieve lading. Oudere personen en vrouwen hebben een hogere bezinkingssnelheid en ook zwangerschap en talrijke geneesmiddelen kunnen hogere resultaten geven. De bezinking is tevens verhoogd bij anemie (Hb lager dan 9.7 g/dl of 6 mmol/l) en bij alle ziekteprocessen die gepaard gaan met een verhoging van de acutefase-eiwitten concentraties, waaronder infectieziekten, infarcten, maligniteiten, reumatische aandoeningen, auto-immuunziekten, mono- en polyklonale gammopathieën en hypothyreoïdie. Acutefase-eiwitten verminderen de negatieve oppervlaktelading van erytrocyten en bevorderen agglutinatie van erytrocyten (geldrolvorming), met verhoging van de erytrocyten bezinkingsnelheid als gevolg. Bij infecties wordt meestal een BSE lager dan 100 mm/uur gevonden, terwijl de waarden bij monoklonale gammopathieën en maligniteiten veelal boven 100 mm/uur liggen.  

De erytrocyten bezinkingssnelheid is verlaagd bij polyglobulieën, vorm- en grootteafwijkingen van erytrocyten zoals bij aniso- en microcytose, gebruik van anti-inflammatoire geneesmiddelen, hyperproteïnemie en pyruvaatkinase deficiëntie.  

De BSE is een screeningonderzoek bij symptomatische patiënten voor het opsporen van ziekten die een acutefasereactie bewerkstelligen of die een verhoging van immunoglobulinen geven. BSE is ook een parameter om het verloop van deze processen te volgen. Echter, vanwege de betere specificiteit en sensitiviteit, heeft de CRP-bepaling de voorkeur in de meeste gevallen. 

Ingangsdatum:  VES-MATIC cube 30, Zie SOP VES-MATIC cube 30 HE027/VES30. 

Matrix:  Volbloed afgenomen in EDTA buis. 

Volume:  Minimaal 2.0 ml en maximaal 4.0 ml.Indien EDTA buis meer dan 4.0 ml is gevuld, buis goed mengen en ± 1 ml EDTA bloed eruit pipetteren. 

Frequentie:  Dagelijks  

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

CA 15-3

Naam bepaling: CA 15-3 

Eenheid: U/ml 

Referentiewaarden: < 30.0 U/ml 

Klinische betekenis:  

Carcino antigenen (CA) zijn tumormarkers die door tumorweefsel worden geproduceerd en waarvan de concentratie in een lichaamsvloeistof een maat is voor de tumorgrootte. CA 15-3 is het mucine antigeen dat in melkklierweefsel wordt gevonden. Mucinen vormen een grote familie van hoogmoleculaire glycoproteïnen die meestal dienen tot bescherming van epitheliaal weefsel. In gezond weefsel is mucine aantoonbaar aan de bovenzijde van endocriene kliercellen en is niet direct in contact met de bloedstroom. Bij adenocarcinomen treedt verandering op van de mucine synthese waarbij het mucine in verhoogde concentratie in de bloedbaan terecht komt. Het mucine (CA 15-3) is zelden verhoogd bij benigne borstaandoeningen. CA 15-3 is verhoogd in 80% van de sera van patiënten met een gemetastaseerd borstcarcinoom. Het mucine is ook aantoonbaar in serum van patiënten met adenocarcinomen in andere weefsels en organen zoals het ovarium, maag, lever of prostaat, maar ook bij benigne gynaecologische aandoeningen en nierfalen. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, electrochemiluminiscentie, sandwich principe. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 20 µL 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

CA 19-9

Naam bepaling: CA 19-9 

Eenheid: U/ml 

Referentiewaarden: < 37.0 U/ml 

Klinische betekenis:  

Carcino antigenen (CA) zijn tumormarkers die door tumorweefsel worden geproduceerd en waarvan de concentratie in een lichaamsvloeistof een maat is voor de tumorgrootte. Het CA 19-9 antigeen wordt gebruikt als tumormarker voor pancreascarcinomen en colorectale adenomen. CA 19-9 is een grootmoleculaire mucine. Mucines worden in epitheelcellen gemaakt en hebben een beschermende werking. Het komt dan ook in hoge concentraties voor in sputum, pancreassecreet en semenvloeistof. 

Het zijn grote glycoproteïnen, waarvan er twee types zijn: membraangeassocieerde en gesecreteerde vormen. Het CA 19-9 is van het membraangeassocieerde type en kan in wisselende mate geglycolyseerd zijn. CA 19-9 komt voor in veel epitheliale weefsels, maar met name in pancreas en mammaweefsel en is dan in wisselende mate geglycolyseerd. CA 19-9 gehalte is verhoogd bij levercirrhose en cholestase. In patiënten met benigne leveraandoeningen, lokale ontsteking in de galwegen, reumatoïde arthritis, SLE en sclerodermie. Chirurgisch opheffen van galwegobstructies leidt tot verlaging van CA 19-9. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, electrochemiluminiscentie, sandwich principe. Zie SOP Cobas 6000.. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 10 µL 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Calcium

Naam bepaling: Calcium 

Eenheid: mmol/l 

Referentiewaarden: 2.15  2.60 mmol/l (serum)m. 2.5  7.5 mmol/24u (urine) v. 2.5 – 6.5 mmol/24u (urine) 

Klinische betekenis:  

Hoewel 99% van alle calcium in het lichaam in de botten en tanden zit, is de calciumconcentratie in het bloed de belangrijkste klinische parameter. In het bloed komt calcium in drie vormen voor: (1) gebonden aan eiwit, voornamelijk aan albumine (40%), (2) als ion, Ca2+ (47%); geïoniseerd calcium, (3) in complexvorm met organische moleculen, voornamelijk citraat (13%). Fysiologisch is de ionvorm van calcium het meest van belang. De concentratie van geïoniseerd calcium wordt zoveel mogelijk constant gehouden; zij staat onder feedback controle van parathyreoïdhormoon (PTH), 1,25(OH)2 vitamine D3 en calcitonine. Deze hormonen reguleren de (re)absorptie van calcium uit bot, de niertubulus en de darm. Calcium is van belang bij prikkelgeleiding langs zenuwbanen, voor de handhaving van de spiercontractibiliteit, als cofactor bij vele enzymreacties en bij de stolling van bloed. Een flink verlaagde calciumconcentratie leidt tot neuromusculaire hyperexciteerbaarheid (tetanie). Bij extreme situaties zijn de spieren continu gecontraheerd. Oorzaken van hypocalciëmie zijn: (pseudo)hypoparathyreoïdie, vitamine D-tekort, malabsorptie en chronische nierziekten. Bij veel te hoge calciumconcentraties is het omgekeerde het geval: er is sprake van spierslapte en slechte prikkelbaarheid. Verstoringen in de magnesiumhuishouding kunnen vergelijkbare verschijnselen te zien geven. Mogelijke oorzaken van hypercalciëmie zijn: hyperparathyreoïdie, tumoren, sarcoïdose en vitamine D-intoxicatie. Bij de interpretatie van het totale calciumgehalte moet rekening worden gehouden met de binding van calcium aan eiwitten. De gebonden hoeveelheid calcium is dan ook duidelijk gecorreleerd aan de hoeveelheid eiwit in het serum en wordt positief beïnvloed door een toenemende zuurgraad. 

Ingangsdatum: 

Cobas 6000, colorimetrisch, automatisch, discreet. 

Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum, urine. 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 3 ÂµL 

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Cannabinoiden (Marihuana)

Naam bepaling: Cannabinoiden (Marihuana) 

Eenheid: ng/ml = cut-off index signaal 

Referentiewaarden: < 20 ng/ml = negatief 

Klinische betekenis:  

Cannabis is een plant die van nature voorkomt in Centraal en West-Azië. Marihuana (weed, wiet) bestaat uit de gedroogde bloemtoppen van de vrouwelijke plant van de cannabis sativa, De tot blokken geperste hars van de plant wordt hasj genoemd en heeft een hoge concentratie aan werkzame stoffen. De sterkte van marihuana kan erg variëren en hangt af van waar en hoe deze gekweekt is. Δ9-THC (Δ9-tetrahydrocannabinol) is de belangrijkste psychoactieve component en komt in alle delen van de plant voor. De hoogste concentratie komt voor in de vrouwelijke bloemtoppen. 

Marihuana en hasj worden meestal gerookt (blowen). In het lichaam wordt Δ9-THC omgezet in carboxy-THC (Δ9-THCCOOH) dat in de urine als belangrijkste metaboliet wordt uitgescheiden. Immunoassays voor de screening van drugs zijn daarom gericht op het aantonen van Δ9-THCCOOH. Doordat Δ9-THC een lipofiele verbinding is en een hoge affinifteit voor (vet)weefsel heeft kan bij een chronische gebruiker na het staken van gebruik, in urine nog lang (1-2 weken) cannabinoïden (Δ9-THCCOOH) worden aangetoond.  

Bij een screening op drugs wordt een afkapwaarde (cut-off) gebruikt. Bij een uitslag lager dan de cut-off wordt een urine als negatief beoordeeld. Bij een uitslag hoger dan de cut-off wordt een urine positief genoemd. Als afkapwaarde wordt 20 ng/ml Δ9-THCCOOH gehanteerd. Bij een keuring (MCB of Renaissance) wordt echter een afkapwaarde van 50 ng/ml Δ9-THCCOOH gehanteerd. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, competitieve kinetische reactie met micropartikels. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Urine

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 4.5 ÂµL 

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Carbamazepine (Tegretol)

Naam bepaling: Carbamazepine (Tegretol) 

Eenheid: µg/ml 

Referentiewaarden: 4 8 µg/ml 

Klinische betekenis:  

Carbamazepine is een anti-epilepticum; wordt gedoseerd als monotherapie of in combinatie met andere anti-epileptica. Comedicatie van Carbamazepine met andere anti-epileptica beïnvloeden elkaars metabolisme en serumspiegels. Regelmatige bepaling van deze bloedspiegels is daarom aan te bevelen. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, competitieve kinetische reactie met micropartikels (KIMS). Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 2.0 ÂµL 

Frequentie:  Zonodig. 

Voorbereiding:  Bij  voorkeur voor inname volgende dosis. 

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Carcio-embryonaal antigeen (CEA)

Naam bepaling: Carcio-embryonaal antigeen (CEA) 

Eenheid: ng/ml 

Referentiewaarden: niet-rokers < 5.0 ng/ml              rokers < 10 ng/ml 

Klinische betekenis:  

CEA is een glycoproteïne met een koolhydraat aandeel van 45-60%. CEA behoort tot de oncofoetale antigenen die ontstaan door genexpressie tijdens de foetale differentiatie. CEA wordt aangetroffen in foetale weefsels van endodermale oorsprong zoals foetale darm, lever en pancreas. Bij neoplastische veranderingen in het epitheel van deze organen kan reactivering optreden en CEA als cel-oppervlakte-antigeen worden gevormd. Echter kunnen zowel andere maligne aandoeningen als benigne ziekten gepaard gaan met verhoogde CEA in plasma. 

Operatief verwijderen van een CEA producerend carcinoom leidt in enkele weken tot een lage CEA in plasma. Stijging van het CEA vanaf een door therapie bereikt plateau duidt op hernieuwde activiteit van de ziekte, vaak ruim voordat dit klinisch merkbaar is. 

De CEA bepaling als follow-up van patiënten met mammacarcinoom is zinvol omdat hiermee botmetastasen kunnen worden opgespoord. 

Levermetastasen van maag-, darm- en pancreascarcinoom geven in meer dan 50% van de gevallen een CEA-stijging tot boven 8-10x de bovengrens van normaal. Metastasen bevatten meestal meer CEA dan de primaire tumor. 

Roken heeft afhankelijk van de mate, een verhogende invloed op de CEA waarden. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, electrochemiluminiscentie, sandwich principe. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 10 ÂµL 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Cefalinetijd (APTT)

Naam bepaling: Cefalinetijd (APTT) 

Eenheid: Seconden 

Referentiewaarden: 22 – 35 sec. 

Klinische betekenis:  

De APTT (activated partial prothrombin time) is een screeningstest voor afwijkingen in 

de intrinsieke stolweg en wordt gebruikt om de heparine-therapie te controleren.  

De APTT is verlengd bij o.a.: 

–  een tekort aan factoren uit de intrinsieke stolweg  

–  aanwezigheid van circulerende anticoagulans 

–  hoge concentratie splijtingsproducten 

–  ernstige leverziekten 

–  heparine-therapie 

– aanwezigheid van vitamine K antagonisten 

Heparine bevordert de binding van trombine en andere geactiveerde stollingsfaktoren aan antitrombine, waarbij een inactief complex ontstaat.  

Een verkorte APTT treedt op bij: 

– sterke verhoging van een of meer stollingsfactoren. Een flinke toename in de factor-VIII-activiteit door bijvoorbeeld stress kan de APTT licht verkorten 

– activering van het stollingssysteem in de eerste fase van diffuse intravasale stolling 

– zwangerschap, door verhoogd factor VIII en fibrinogeen. 

Ingangsdatum: 

STA Compact stollingsanalyser, electromagnetisch mechanische stolsel detectie. M.i.v. januari 2007. Zie SOP Bediening STA Compact ST001/STA 

STA Compact MAX stollingsanalyser, electromagnetisch mechanische stolsel detectie. M.i.v. 2015. Zie SOP Bedieningsvoorschrift STA Compact Max ST006/STAM 

Matrix:  Citraatbloed. 

Volume:  2 ml plasma (in buisjes van 5 ml)0.5 ml plasma (in microbuisjes)50 µl plasma wordt gebruikt voor de bepaling 

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Chikungunya IgM

Naam bepaling: Chikungunya  IgM 

Eenheid: U

Referentiewaarden: Negatief <9 U 

Klinische betekenis:  

Het Chikungunya virus is een door geleedpotigen (Aedes albopictus en of eagypti ) overgedragen virus van het geslacht Alphavirus en behoort tot het familie Togaviridae. Alphavirus infecties worden geïnitieerd door de beet van een geïnfecteerde mug. Na een incubatietijd van 1 tot 12 dagen kan dit leiden tot het Chikungunya koorts. Chikungunya koorts is een acute virale infectie gekenmerkt door een snelle overgang van goede gezondheid naar ziekte met klinische symptomen zoals arthralgia en koorts. Lichaam temperatuur kan abrupt stijgen tot 40 °C en gaat vaak gepaard met koud rillingen. Koorts kan na een paar dagen verminderen en opnieuw de kop opsteken, die aanleiding geven tot een “zadeldak” koorts curve. Gewrichten kunnen opzwellen en kan duren van 1 week tot enkele maanden tegelijker tijd met spierpijn.  

Chikungunya IgM antistoffen verschijnen 14 dagen na infectie met de Chikungunya virus.

Ingangsdatum:  

Enzyme-Linked ImmunoSorbent Assay, ook wel ELISA genoemd, is een biochemisch techniek dat gebruikt wordt voor het opsporen van antilichamen in lichaamsvloeistoffen zoals serum. ELISA techniek is gebaseerd op de vorming van specifieke bindingen tussen antilichamen en antigenen. IBL Chikungunya Virus IgM ELISA testkit maakt gebruik van 96-putjes microtiter platen, waarvan de oppervlakte van elk putje gefixeerd is met anti-humaan IgM. IgM antilichamen in het monstermateriaal gaat binden aan deze anti-humaan IgM antilichamen. Na het eerste wascycli wordt alle ongebonden antilichamen weggespoeld. Vervolgens wordt Chikungunya antigeen toegevoegd die specifiek aan humaan anti-Chikungunya IgM bindt. Alle niet gebonden componenten worden na de incubatie weggewassen. Vervolgens wordt een biotine gelabelde Chikungunya antilichaam toegevoegd. Na het vierde wascycli wordt een peroxidase conjugaat toegevoegd, die het gevormde antilichaam-antigeen complex herkent en hieraan bindt. Na het wassen van de overmaat conjugaat wordt het substraat toegevoegd, die door het enzym peroxidase in een blauwe kleurstof wordt omgezet. De enzymreactie wordt gestopt door toevoeging van stopreagens: de kleur verandert van blauw naar geel. De hoeveelheid kleurstof wordt door middel van de optische dichtheid (OD) gemeten. Het OD van het monster wordt vergeleken met de OD van de cut-off om zo de uitslag te determineren (positief of negatief).

Matrix:  Het monstermateriaal is serum afgenomen d.m.v. venapunctie 

Volume:  bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 50 µl 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NULL

Afnamecondities: NULL 

Transportcondities:  NULL

 

Chloor

Naam bepaling: Chloor 

Eenheid: mmol/l 

Referentiewaarden: Ondergrens 98 mmol/l (serum) Bovengrens 107 mmol/l (serum) Ondergrens 150 mmol/l (urine) Bovengrens 250 mmol/l (urine) 

Klinische betekenis:  

Chloride is het voornaamste extracellulaire anion. De chloride regulatie is doorgaans nauw gekoppeld aan de natriumhuishouding. De chloridenconcentratie stijgt o.a. in geval van dehydratie en bij indroging, renale tubulaire acidose of andere vormen van metabole acidose met normaal anion gap, aldosterase deficiëntie en verhoogde toediening van fysiologisch zout. Verlaagde concentraties kunnen we vinden bij overvulling, gecompenseerde chronische respiratoire acidose, metabole alkalose en bij een verhoogd verlies van vocht (transpireren). 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, ion selectieve elektrode, ISE indirect (met verdunning). Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum, urine. 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 9.7 µl (ook voor automatische rerun). 6.5 μl voor manuele rerun urine 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Cholesterol

Naam bepaling: Cholesterol 

Eenheid: mg/dl 

Referentiewaarden: Bovengrens 200 mg/dl (serum)Ideaal: ≤ 200 mg/dl 

Klinische betekenis:  

Het menselijk lichaam bevat ±150 g cholesterol. In serum circuleert ongeveer 7 g cholesterol in de vorm van lipoproteïnen. Hiervan bevindt zich 70% in LDL, 20-25% in HDL en 5-10% in VLDL partikels. Het dieet bevat per dag gemiddeld 400 mg cholesterol, hiervan wordt afhankelijk van de behoefte 30 Ã  60% geabsorbeerd. Het grootste gedeelte van de lichaamsvoorraad cholesterol komt van de novo synthese uitgaande van acetyl CoA (1 g cholesterol per dag). Het enzym HMG-CoA reductase (3-hydroxy-3-methylglutaryl-CoA) dat door vrij cholesterol wordt geremd, is snelheidsbepalend voor de synthese. Cholesterolsyntheseremmers (o.a. Zocor) remmen deze omzetting. Cholesterol is een essentieel element van celmembranen, het is tevens een precursor van steroïdhormonen en galzuren. Cellen in het lichaam nemen cholesterol op via een LDL-receptor. Een verhoogd LDL (low-density lipoproteins bevatten naar verhouding het grootste gehalte cholesterol) in serum kan leiden tot de vorming van artherosclerotische plaques in de arteriële vaatwanden met als rechtstreeks gevolg hart- en vaatziekten. Cholesterol is verhoogd bij diverse typen hyperlipoproteïnemie (aangeboren of verworven). Verlaagde cholesterolconcentraties worden o.a. gevonden bij hyperthyroïdie, malabsorptie en levernecrose of levermaligniteiten. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Kal. 2000/enzymatisch colorimetrisch, automatisch, discreet. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 2 µL. 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Cholinesterase

Naam bepaling: Cholinesterase 

Eenheid: U/l 

Referentiewaarden: Ondergrens: 4100 U/l Bovengrens: 9900 U/l 

Klinische betekenis:  

Cholinesterase (CHE) of pseudo cholinesterase is een enzym dat voor komt in de lever, pancreas, hart, serum en in de witte massa van de hersenen. CHE draagt bij aan de afbraak van de neurotransmitter acetylcholine in de zenuwsynaps. 

 De CHE activiteit in plasma is een weerspiegeling van de synthesesnelheid in de lever. De activiteit kan verlaagd zijn bij leverziekten, longembolieën, maligniteiten, hartfalen, allergische reacties, chronische nierziekten, chronische anemie, bij zwangerschap en ziekten die lijden tot voedingsdeficiënties. 

 Bij gebruik van insecticiden met organische fosforverbindingen kan CHE irreversibel worden geremd. Bij zeer ernstige vergiftiging kan de organische fosforverbinding door opslag in vetweefsels de CHE activiteit voor langere tijd verlagen. 

 Een matige verhoging van de CHE activiteit wordt gevonden bij o.a. nefrotisch syndroom, obesitas, hyperlipidemie, diabetes mellitus, hyperthyrïodie en psychiatrische ziekten. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Colorimetrisch, butyrylthiocholine. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 2 µL. 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

CMV IgG Avidity II

Naam bepaling: CMV IgG Avidity II 

Eenheid: Index 

Referentiewaarden: De test gebruikt de volgende assay files: CGAvII, CNTII en C-TII.Voor het testen van samples gebruik CGAvII.Low  avidity: Index <0.150Moderate avidity: Index 0.150-0.250 High avidity: Index ≧ 0.250Samples met een avidity index groter dan 0.950 mo 

Klinische betekenis:  

De methode voor determinatie van antigeen binding aviditeit van specifiek IgG aan hCMV is een indirecte sandwich chemische luminescentie antistofbepaling (CLIA). hCMV antigeen wordt gebruikt voor coating van magnetische partikels (vaste fase) en een muis monoklonaal antistof is gebonden aan een isoluminol derivative (isoluminol-antistof conjugaat). De aanwezigheid van sterke bindingen tussen IgG antistoffen en hCMV (i.e.., IgG aviditeit) in een IgG positief sample wordt gedetecteerd door het signaal van de referentie (i.e., non-treated) sample met het signaal van hetzelfde sample na behandeling met ureum, welke zwakke bindingen dissocieert tussen IgG en hCMV. Tijdens de eerste incubatie, binden hCMV antistoffen aanwezig in de calibratoren, monsters en controles aan de vaste fase (referentie en treated sample). Alleen high-avidity antistoffen blijven gebonden aan de vaste fase, in tegenstelling tot laag-avidity antistoffen. Tijdens de laatste incubatie, reageert het antistof conjugaat met hCMV IgG gebonden aan de vaste fase (referentie en treated samples).  Na elke incubatie wordt het ongebonden materiaal verwijderd tijdens een wasstap. Hierna wordt het starter reagens toegevoegd en een chemieluminescentie flits reactie wordt geïnduceerd. Het lichtsignaal en dus de hoeveelheid van het isoluminol-antistof conjugaat wordt gemeten door een fotomultiplicator als relative light units (RLU) en is een indicatie van de hCMV IgG concentratie aanwezig in calibratoren, monsters of controles. De IgG avidity index wordt bepaald door de ratio van het treated sample met ureum en het referentie sample. 

 

Humaan cytomegalovirus (hCMV) behoort bij de familie van de Herpetoviridae en is een van de pathogene humane herpesvirussen. Het komt overal voor, is soort-specifiek en wordt verspreid door nauw menselijk contact. Het virale capside is icosahedraal van vorm, gevormd uit 162 capsomeren en heeft een kern van DNA. Eén of meerdere ovale membranen bestaand uit lipiden omsluiten het capside. 

Een hCMV infectie kan primair of secundair zijn. Primaire infectie kan worden verkregen door verschillende transmissie routes en in verschillende periodes van het leven. Na een primaire infectie komt het hCMV in een latente fase, het virus bevindt zich dan in B lymfocyten. Latere reactivering van virale replicatie (secundaire infectie) kan gelijktijdig plaatsvinden met veranderingen zoals zwangerschap, ernstige ziekte, immuun-suppressieve therapie of stress. 

Een congenitale infectie wordt transplacentaal of tijdens de geboorte verspreid en kan plaatsvinden wanneer vrouwen al antistoffen hebben tegen hCMV (herinfectie met exogeen virus). Wanneer seronegatieve vrouwen primair geïnfecteerd worden tijdens de zwangerschap kunnen de gevolgen abortus, doodgeboorte en neonatale misvormingen zijn. Het klinisch beeld van een congenitale hCMV infectie is altijd ernstig en includeert psychomotorische retardatie, doofheid, retinochoroiditis, microcefalie, waterhoofd, hartziekte, hepatitis, hepatosplenomegalie, trombocytopenie. Het sterftecijfer is nogal hoog. 

De meeste individuen (40-90%) verkrijgen een primaire hCMV infectie gedurende hun kindertijd of volwassenheid. Postnatale infecties worden overgedragen door nauw contact met geïnfecteerde lichaamsvloeistoffen (urine, speeksel, borstvoedingsmelk, sperma, cervical secretie, faeces), geïnfecteerde bloedproducten en soms orgaantransplantaties. In immunocompetente personen, is het klinisch beeld van een post-natale hCMV infectie normaal gesproken mild of a-symptomatisch. De voorkomende symptomen includeren koorts, malaise en verhoogde serum transaminase zonder geelzucht. In contrast tot patiënten met een verzwakt immuunsysteem (ontvangers van een orgaan transplantaat, patiënten met AIDS, lymfoproliferatieve ziekte of kanker), symptomen kunnen ernstig zijn vanwege verspreiding en/of viscerale infectie, en includeren splenomegalie, longontsteking, myocarditis en encefalitis. Bij deze patiënten kan de ziekte fataal zijn. 

De immuunrespons tegen hCMV houdt in synthese van antistoffen van de IgM klasse enkele weken na infectie met hCMV en één week later antistoffen van de IgG klasse. De titers van IgM tegen hCMV verhogen gewoonlijk gedurende enkele weken en dalen langzaam daarna, in vier tot zes maanden. Af en toe circuleert IgM jarenlang. Het testen van specifiek IgM is instrumenteel bij de diagnose van een acute hCMV infectie, welke moeilijk te herkennen is aan de symptomen alleen. Het is niet altijd mogelijk is om een primaire en secundaire infectie te onderscheiden, aangezien reactivatie bij immuungecompromiteerde patiënten de synthese van IgM kan induceren. Specifiek IgG test is behulpzaam om onderscheid te maken tussen degene die de ziekte hebben verkregen en wie niet. Gezien de diversiteit of afwezigheid van symptomen kan de detectie van een hCMV infectie niet gebaseerd worden op klinische bevindingen, maar op serologie. De conventionele serumtesten maken geen duidelijk onderscheid tussen een recente of in het verleden doorgemaakte infectie. Bovendien wordt de aanwezigheid van detecteerbaar IgM algemeen geassocieerd met een recent verworven infectie, maar de aanhoudende productie van deze immunoglobulinen is variabel en kan langer aanhouden. IgM positieve resultaten zijn niet eenvoudig te interpreteren omdat specifiek IgM de neiging heeft te persisteren met mogelijk hoge titers na een primaire infectie. 

Een oplossing voor de identificatie van een primaire infectie in tegenstelling tot reactivering, chronische infectie, IgM persistentie of polyklonale response van het immuunsysteem kan de meting van antigeenbindende aviditeit van specifiek IgG zijn. 

De sterkte van de interactie tussen antistof in een serum sample en individuele epitopen van een multivalent antigeen (i.e., antigeen-binding aviditeit) neemt toe met de duur van de infectie: low-avidity specifiek IgG is een sterke indicator voor een recente primaire infectie. Positieve IgM en low-avidity IgG resultaten duiden op een primaire infectie, terwijl de aanwezigheid van high-avidity IgG indiceert dat aanwezig IgM het gevolg is van een herinfectie of persistentie. Een low-avidity index hoeft niet altijd een recente infectie te betekenen, aangezien bij een percentage van geïnfecteerde personen een persistentie van low-avidity antistoffen gezien wordt. 

Determinatie van de immuunstatus tegen hCMV is belangrijk bij patiënten met een verzwakt immuunsysteem, bij wie de ziekte serieuze gevolgen heeft; bij jonge vruchtbare of zwangere vrouwen, om virus transmissie naar de foetus te voorkomen; bij orgaan transplantaat ontvangers en donoren en bij bloeddonoren. Witte bloedcellen kunnen hCMV bij zich dragen en op deze manier bloed of orgaan ontvangers infecteren.

Ingangsdatum:  LIAISON XL analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA) Zie SOP LIAISON XL SC052/LIAXL 

Matrix:  Serum of plasma. 

Volume:  170 µl (20 µl materiaal + 150 µl dood volume) 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NULL 

Afnamecondities:  NULL 

Transportcondities:  NULL 

 

CMV IgG II

Naam bepaling: CMV IgG II 

Eenheid: U/ml 

Referentiewaarden: Negatief: <12.0 U/mlVerdacht: 12.0 – 14.0 U/mlPositief: > 14.0 U/mlPatiëntenmonsters die verdacht zijn voor CMV IgG moeten herhaald worden. Indien positief bij herhaling, dan als positief rapporteren. Indien bij herhaling negatief, monster als nega 

Klinische betekenis:  

Het Cytomegalovirus (CMV) is een humaan DNA- virus. Het is een β-herpesvirus en hoort tot de familie van de herpesviridae. Het virus komt overal ter wereld voor en kan op verschillende manieren verspreid worden o.a. via speeksel, tranen, spermacellen, bloed, cervixsecreet en organen. Transmissie geschiedt door contact met besmette secreten/excreten of orgaantransplantatie. Daarnaast bestaat er ook verticale transmissie, van moeder op ongeboren kind. Het virus blijft levenslang aanwezig in perifere neuronen en reactiveert voortdurend, symptomatisch dan wel asymptomatisch. Indien er symptomen zijn, dan lijkt het veel op een Pfeifferachtig ziektebeeld met koorts(pieken), malaise, spierpijn, hoofdpijn en vermoeidheid. De aanwezigheid van CMV IgG antilichamen duidt op een in het verleden meegemaakte infectie met de Cytomegalovirus, tenzij er sprake is van een recente infectie in aanwezigheid van CMV IgM antistoffen. 

Ingangsdatum: 

LIAISON Classic analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA) Zie SOP LIAISON Classic SC035/LIA 

LIAISON XL analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA) Zie SOP LIAISON XL SC052/LIAXL 

Matrix:  Serum 

Volume:  170 µl (20 µl materiaal + 150 µl dood volume) 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

CmV IgM II

Naam bepaling: CmV IgM  II 

Eenheid: U/ml 

Referentiewaarden: Negatief: 0 – 18 U/mlEquivocal: 18 – 22 U/mlPositief: >22 U/ml 

Klinische betekenis:  

Het Cytomegalovirus (CMV) is een humaan DNA- virus. Het is een β-herpesvirus en hoort tot de familie van de herpesviridae. Het virus komt overal ter wereld voor en kan op verschillende manieren verspreid worden o.a. via speeksel, tranen, zaad, bloed, cervixsecreet en organen. Transmissie geschiedt door contact met besmette secreten/excreten of orgaantransplantatie. Daarnaast bestaat er ook verticale transmissie, van moeder op ongeboren kind. Het virus blijft levenslang aanwezig in perifere neuronen en reactiveert voortdurend, symptomatisch dan wel asymptomatisch. Indien er symptomen zijn, dan lijkt het veel op Pfeifferachtig ziektebeeld met koorts(pieken), malaise, spierpijn, hoofdpijn en vermoeidheid. De aanwezigheid van CMV IgM antilichamen duidt op een acute infectie met de Cytomegalovirus 

Ingangsdatum:  LIAISON Classic analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA) Zie SOP LIAISON Classic SC035/LIA LIAISON XL analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA) Zie SOP LIAISON XL SC052/LIAXL 

Matrix:  Serum 

Volume:  170 µl (20 µl materiaal + 150 µl dood volume) 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Cocaine

Naam bepaling: Cocaine 

Eenheid: ng/ml = cut-off index signaal 

Referentiewaarden: < 300 ng/ml cut-off index => negatief 

Klinische betekenis:  

Cocaïne wordt geïsoleerd uit de bladeren van de cocaboom die op een hoogte van 500-2000 meter wordt gekweekt in het Andesgebergte in Zuid-Amerika en in mindere mate in delen van India, Java en Afrika.  

Cocaïne heeft een lokaal anesthetische werking maar wordt hiervoor nog maar zelden gebruikt. Daarnaast heeft cocaïne een psychoactieve werking door interactie met het dopaminerge systeem in de hersenen waarbij zowel de afgifte van dopamine wordt gestimuleerd als ook de re-uptake van dopamine wordt geremd. Dit veroorzaakt euforie, verhoogde psychische energie en zelfvertrouwen.   

Cocaïne als HCl-zout wordt gesnoven of intraveneus toegediend. Andere vormen van cocaïne ‘free base’ en ‘crack’ worden gerookt. Cocaïne is psychisch en mogelijk ook fysiek verslavend. Cocaïne wordt gemetaboliseerd tot benzoylecgonine en ecgonine methylesters die in de urine worden uitgescheiden. Voor de screening op cocaïne worden deze metabolieten in de urine aangetoond. Hierbij wordt een afkapwaarde (cut-off) gebruikt. Bij een uitslag lager dan de cut-off wordt een urine als negatief beoordeeld. Bij een uitslag hoger dan de cut-off wordt een urine positief genoemd. Als afkapwaarde (cut-off) wordt 300 ng/ml benzoylecgonine gehanteerd. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, competitieve kinetische reactie met micropartikels. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Urine 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 4.6 µL. 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

CO2-L (Bicarbonaat)

Naam bepaling: CO2-L (Bicarbonaat) 

Eenheid: mmol/l 

Referentiewaarden: 22-29 mmol/l 

Klinische betekenis:  

Bicarbonaat is de op na grootste fractie van de anionen in plasma. Deze fractie bevat bicarbonaat (HCO3-) en carbonaat (CO32-) ionen en de carbamino componenten. De ademhaling zorgt voor de aanvoer van zuurstof, benodigd voor de metabole processen in cellen, en voor de afvoer van CO2 dat tijdens deze processen geproduceerd wordt. De productie van CO2 leidt tot een pH-daling van het cytoplasma en daardoor ook van het bloed. Bij het streven van het lichaam naar een constante pH wordt in eerste instantie de H+ buffering verzorgd door buffermengsels (Hb, eiwit, bicarbonaat, fosfaat) en in tweede instantie de CO2 vervoerd in bloed als bicarbonaat. Bij de reactie gevormde H2CO3 wordt door de tubuluscel in de nier door koolzuuranhydrase gesplitst in H+ en HCO3-. H+ wordt met de urine afgevoerd en HCO3- wordt teruggeresorbeerd. 

De serumbicarbonaat gehalte is een belangrijke indicator voor de elektrolytverdeling en anion tekort. Samen met de pH bepaling worden bicarbonaatmetingen gebruikt bij de diagnose en behandeling van vele potentieel ernstige aandoeningen in verband met zuur-base afwijkingen in de respiratoire en metabole processen. 

Bij een metabole acidose is de HCO3- verlaagd en bij een metabole alkalose verhoogd. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, enzymatische methode met phosphoenolpyruvaat carboxylase. Zie SOP Cobas 6000 KC034/COB.

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 2 µl

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Complementfactor C3

Naam bepaling: Complementfactor C3 

Eenheid: mg/dl 

Referentiewaarden: 90 – 180 mg/dl 

Klinische betekenis:  

Complementfactor C3 neemt de centrale plaats in van het complementsysteem. C3 kan zowel via de klassieke als alternatieve activatieroute geactiveerd worden. Het C3 gehalte in serum wordt beinvloed door de produktie in de lever en het verbruik in het bloed. C3 is een acute-fase eiwit waarvan de produktie bij ontstekingsprocessen verhoogd kan zijn. Een verhoogd verbruik van C3 wordt gevonden bij infectieziekten. 

Bij leverfunctiestoornissen en uremie vindt men een verlaagde produktie. Een verlaging van C3 wordt gezien bij o.a. acute poststreptokokken-glomerulonefritis, SLE nefritis, chronische hepatitis, bacteriële endocarditis en cryoglobulinemie. Bij sommige nierziekten is een IgG-auto-antistofaanwezig, ‘C3 nefritic factor’. Deze aanwezigheid resulteert in een sterke daling van C3 door activatie van de alternatieve route. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Immunoturbidimetrisch. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 10 ÂµL. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Complementfactor C4

Naam bepaling: Complementfactor C4 

Eenheid: mg/dl 

Referentiewaarden: 15 – 45 mg/dl 

Klinische betekenis:  

Complementfactor C4 is een van de factoren van de klassieke route van complementactivatie. Het C4 gehalte in bloed kan verlaagd zijn door een verminderde produktie of door een verhoogd verbruik. Een verhoogd verbruik wordt vooral gezien bij auto-immuunziekten. Een gelijktijdige verlaging van C3 en C4 wordt veroorzaakt door activatie van de klassieke route. Een verlaging van C3 met een normale C4 kan veroorzaakt zijn door activatie van de alternatieve route. Lage C4 waarden kunnen ook gevonden worden bij cryoglobulinemie (bij het syndroom van Sjögren (type II) en (type III) bij reumatoïde artritis en SLE).  

Als een acute-fase eiwit wordt C4 geproduceerd gedurende ontstekingsprocessen. Een vehoogde C4 is te zien bij systematische infecties, chronische ontstekingsprocessen en gedurende zwangerschap. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Immunoturbidimetrisch. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 15 ÂµL. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Cortisol

Naam bepaling: Cortisol 

Eenheid: µg/dl 

Referentiewaarden: 6.2 – 19.4 µg/dl (s ochtends in serum) 

Klinische betekenis:  

Synthese van de voornaamste glucocorticosteroïd cortisol vindt plaats in de bijnierschors in een hoeveelheid van 24 – 40 mg/dag. In bloed is cortisol voor 95% gebonden aan cortisol bindend globuline en in mindere mate aan albumine.  

De cortisolstatus van een patiënt wordt gebruikt voor de diagnose van de werking van de bijnier, de hypofyse en de hypothalamus. Serum cortisol concentraties worden hierbij gebruikt voor het monitoren van zowel ziekten als gevolg van overproduktie (vb. Syndroom van Cushing) als onderproduktie (bv. ziekte van Addison). 

Normaal varieert het serum cortisol concentratie gedurende de dag. Maximale concentraties worden vroeg in de ochtend bereikt en nemen dan af gedurende de dag naar een avond niveau gelijk aan de helft van de ochtend concentratie. Daarom is het voor de interpretatie van de uitslagen belangrijk om het tijdstip van de monsterafname te weten. 

Gebonden cortisol wordt in glucuronide of sulfaatvorm via de nier verwijderd. Alleen het vrije hormoon kan de glomerulus passeren, maar wordt voor een belangrijk deel door de tubulus geresorbeerd. De cortisol uitscheiding in urine weerspiegelt de concentratie van de vrije fractie van cortisol in bloed en is daardoor een uitstekende maat om overproduktie van cortisol, zoals bij het syndroom van Cushing aan te tonen. 

Verlaagde cortisol waarden wijzen op bijnierschors insufficiëntie of het bestaan van het androgenitaal syndroom.

Ingangsdatum:  Cobas 6000, electrochemiluminiscentie immunoassay; competitieve principe. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum en urine. 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 10 ÂµL. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  Afname bij voorkeur in de vroege ochtend. 

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Cotinine

Naam bepaling: Cotinine 

Eenheid: Kwalitatief 

Referentiewaarden: Negatief 

Klinische betekenis:  

De COT One Step Cotinine Test Device is een laterale flow immunoassay voor de kwalitatieve detectie van Cotinine in urine. Cotinine is een afbraakproduct van nicotine. Nicotine komt via de longen het lichaam binnen bij het roken van tabak of het inademen van tabaksrook uit de omgeving en wordt vervolgens snel verspreid door de bloedsomloop. Langdurig gebruik van tabaksproducten verhoogt het risico op het ontwikkelen van verschillende ziekten zoals longkanker, chronisch obstructieve longziekten (COPD), luchtweginfecties, astma, herseninfarcten, hart- en vaatziekten, en trombosevorming. Bij zwangere vrouwen leidt roken tot het achterblijven van de groei van de foetus en een lager geboortegewicht van de baby. Nicotine verlaat het lichaam deels direct via de nieren in urine. Het grootste deel wordt echter door de lever afgebroken en omgezet in Cotinine dat door de nieren via de urine wordt uitgescheiden. Cotinine heeft in tegenstelling tot nicotine (60 minuten) een relatief lange halfwaardetijd (circa 24 uur) en kan na twee dagen nog gemakkelijk in urine aangetoond worden. 

Ingangsdatum:  

De COT One Step Cotinine Test Device is een eenvoudige immunoassay dat berust op de competitieve binding principe voor Cotinine detectie in urine. Indien aanwezig in het urinemonster, zal Cotinine met de geïmmobiliseerde Cotinine conjugaat concurreren voor anti-Cotinine antilichaam bindingsplaatsen. Bij een concentratie lager dan 200 ng/ml zal Cotinine de bindingsplaatsen van de met anti-Cotinine antilichaam gecoate partikels in de teststrip niet verzadigen. Het geïmmobiliseerde Cotinine conjugaat zal dan aan de anti-Cotinine antilichamen binden en een gekleurde lijn zal tevoorschijn komen in het testgebied. Cotinine zal bij een concentratie groter dan 200 ng/ml alle anti-Cotinine antilichaam bindingsplaatsen verzadigen waardoor er geen gekleurde lijn in het testgebied tevoorschijn zal komen. 

Matrix:  Urinemonsters afgenomen op elk moment van de dag verzameld (ter plaatse) in  schone en droge urinepotjes 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 3 druppels urine 

Frequentie:  Zonodig. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

C-Reactive Protein

Naam bepaling: C-Reactive Protein 

Eenheid: mg/dl 

Referentiewaarden: < 1.0 mg/dl 

Klinische betekenis:  

C-reactive protein is een acute-fase eiwit gesynthetiseerd in de lever. Na het begin van een acute fase reactie is een snelle respons en een veelvoudige toename in concentratie van het serum CRP gehalte te zien. Reeds binnen 6-8 uur is de CRP spiegel verhoogd en bereikt na 24 tot 48 uur het maximum waarbij een duizendvoudige toename mogelijk is. CRP is hiermee het meest gevoelige acuut-fase eiwit. 

CRP is vooral verhoogd bij bacteriële infecties, maar ook bij pancreatitis, appendicitis, grote traumata, bepaalde tumoren (long, nier of blaas). Ook de ziekte van Hodgkin of non-Hodgkin, actieve reumatische aandoeningen, de ziekte van Crohn en diepveneuze trombose geven een sterke toename van CRP te zien (boven 10 mg/dl). Matig verhoogde CRP waarden worden gezien bij o.a. lichtere bacteriële ontstekingen, virale infecties, chronische reumatische aandoeningen en tuberculose. CRP is licht verhoogd (< 0.4 mg/dl) of normaal bij lichte virale of schimmelinfecties tenzij deze gepaard gaan met een sterke necrose.  

Bij patiënten met reuma geeft CRP de acute fase beter aan dan de bezinking. De bezinking is een betere maat voor de ernst van de aandoening, maar een slechtere ontstekingsmarker. De combinatie van de twee testen geeft meer informatie dan een enkele test. CRP serieel gemeten is een goede maat om het aanslaan van antibiotische therapie te beoordelen. 

CRP heeft een prognostische waarde bij patiënten met acute coronaire syndromen of kan gebruikt worden als voorspellende factor voor toekomstige cardiovasculaire aandoeningen in schijnbaar gezonde personen. Dit is echter een andere bepaling. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Immunoturbidimetrisch met latex deeltjes. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 2 µL. 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Creatinekinase (CK)

Naam bepaling: Creatinekinase (CK) 

Eenheid: U/l 

Referentiewaarden: Leeftijdafhankelijk!Kinderen ≤ 18 jaar:Zie Referentiewaarden voor kinderen KC041/RWKVolwassen:M: < 171 U/lV: < 145 U/l 

Klinische betekenis:  

Creatinekinase komt voor in het cytoplasma van de mitochondriën in de spiercellen.  

Het enzym is essentieel voor de levering van spierarbeid. De CK-activiteit is het hoogst in de skeletspieren, de hersenen en het hart. De CK activiteit in serum is afhankelijk van de spiermassa. Bij alle vormen van spierziekte is de CK-activiteit in bloed toegenomen. CK is een dimeer en bestaat uit twee types subeenheden (Mw elk 40 kD): M (muscle) en B (brain), die gepaard voorkomen. Derhalve zijn er 3-isoenzymen te weten: CK-BB (=CK1), CK-MB (=CK2) en CK-MM (=CK3). Skeletspieren bevatten vooral CK-MM (95%) en de hersenen vooral CK-BB (80%). Het hart is het orgaan met het hoogste percentage CK-MB (30%) aangevuld met 40% CK-MM. Wanneer een verhoogde CK waarde wordt geconstateerd bij een patiënt kan de bepaling van de CK-MB activiteit helpen bij de differentiaal-diagnose. Bij de diagnostiek van het acute coronair syndroom heeft Troponine de voorkeur 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, UV test 37 °C, geactiveerd. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 3 ÂµL. 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Complementfactor C4

I am text block. Click edit button to change this text. Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.

Complementfactor C4

I am text block. Click edit button to change this text. Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.

D-dimeer

Naam bepaling: D-dimeer 

Eenheid: mg/l (FEU = Fibrinogen Equivalent Units) 

Referentiewaarden: < 0.5 mg/L 

Klinische betekenis:  

Plasmine is het fibrinolytisch enzym afgeleid van inactieve plasminogeen. Plasminogeen wordt geactiveerd door de plasminogeenactivatoren weefsel factor (tissue factor) en pro-urokinase. In de bloedstroom wordt vrij plasmine snel geneutraliseerd. Lokaal, in het stolsel degradeert plasmine de fibrine tot verschillende producten waaronder D-Dimeren.  

De aanwezigheid van fragmenten die D-dimeer bevatten, geeft in de meeste gevallen aan dat trombusvorming en fibrinolyse heeft plaatsgehad.  

De D-dimeer bepaling wordt gebruikt voor diagnostiek (m.n. het uitsluiten) van patiënten met diep veneuze trombose alsook longembolie. 

Ingangsdatum: 

STA Compact stollingsanalyser, electromagnetisch mechanische stolsel detectie. M.i.v. januari 2007. Zie SOP Bediening STA Compact ST001/STA 

STA Compact MAX stollingsanalyser, electromagnetisch mechanische stolsel detectie. M.i.v. 2015. Zie SOP Bedieningsvoorschrift STA Compact Max ST006/STAM 

Matrix:  Citraatplasma 

Volume:  2 ml plasma (in buisjes van 5 ml)0.5 ml plasma (in microbuisjes)50 µL plasma wordt gebruikt voor de bepaling 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Dengue IgG

Naam bepaling: Dengue IgG 

Eenheid: index 

Referentiewaarden: index waarde <0.90 

Klinische betekenis:  

Dengue is een virusziekte die voornamelijk wordt overgebracht door beten van het  muggensoort Aedes aegypti. De Dengue Virus is een flavivirus bestaande uit 4 types  (type 1-4). De Dengue Virus komt in de tropische en sub-tropische landen voor. Knokkelkoorts (Dengue Fever) is een acuut virale infectie dat zich karakteriseert in  koorts, hoofdpijn, spierpijn en huiduitslag. Bij een ernstig geval, Dengue  Hemoragische koorts (DHF), kunnen geïnfecteerde patiënten hoge koorts, bloeding,  lage bloedplaatjes (thrombopenie), bloedplasma lekkage en nierinsufficiëntie  ervaren. Soms kan dit tot een (fatale) Dengue Shock Syndroom (DSS) met lage  bloeddruk leiden. 

Dengue IgG antistoffen verschijnen na 2 – 14 dagen en blijven gemiddeld 60 jaar  aantoonbaar na een Dengue infectie. Bij een tweede infectie zullen de IgG  antistoffen snel, binnen 1 Ã  2 dagen na verschijnen van symptomen opkomen.

 

Ingangsdatum: 

Enzyme-Linked ImmunoSorbent Assay, ook wel ELISA genoemd, is een biochemisch techniek dat gebruikt wordt voor het opsporen van antilichamen in lichaamsvloeistoffen zoals serum. ELISA techniek is gebaseerd op de vorming van specifieke bindingen tussen antilichamen en antigenen. De Focus Diagnostics Dengue Virus IgG ELISA testkit maakt gebruik van 96-putjes microtiter platen, waarvan de oppervlakte van elk putje gefixeerd is met gelijk hoeveelheden geïnactiveerd en gezuiverde Dengue Virus type 1-4. Een bepaald hoeveelheid verdund controle of serum wordt aan de putjes toegevoegd. Specifieke antilichamen in het monstermateriaal, vormen een antilichaam-antigeen complex met de gefixeerde antigenen. Alle niet gebonden componenten worden na de incubatie weggewassen. Vervolgens wordt anti-humane IgG peroxidase conjugaat toegevoegd, die het gevormde antilichaam-antigeen complex herkent en hieraan bindt. Na het wassen van de overmaat conjugaat wordt het substraat toegevoegd die door het enzym peroxidase in een blauwe kleurstof wordt omgezet. De enzymreactie wordt gestopt door toevoeging van het stopreagens, en de kleur verandert van blauw naar geel. De hoeveelheid kleurstof wordt door middel van de optische dichtheid (OD) gemeten. Het OD van het monster wordt vergeleken met de OD van de cut-off om de uitslag te determineren (positief of negatief).  

Matrix: Het monstermateriaal is serum afgenomen d.m.v. venapunctie

Volume: Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster100 µL

Frequentie: 2x per week

Voorbereiding:  NULL

Afnamecondities:  NULL

Transportcondities:  NULL

 

Dengue IgM

Naam bepaling: Dengue IgM 

Eenheid: index 

Referentiewaarden: index waarde <1.00 

Klinische betekenis:  

Dengue is een virusziekte die voornamelijk wordt overgebracht door beten van het  muggensoort Aedes aegypti. De Dengue Virus is een flavivirus bestaande uit 4 types  (type 1-4). De Dengue Virus komt in de tropische en sub-tropische landen voor. Knokkelkoorts (Dengue Fever) is een acuut virale infectie dat zich karakteriseert in  koorts, hoofdpijn, spierpijn en huiduitslag. Bij een ernstig geval, Dengue  Hemoragische koorts (DHF), kunnen geïnfecteerde patiënten hoge koorts, bloeding,  lage bloedplaatjes (thrombopenie), bloedplasma lekkage en nierinsufficiëntie  ervaren. Soms kan dit tot een (fatale) Dengue Shock Syndroom (DSS) met lage  bloeddruk leiden. 

 Dengue IgM antistoffen verschijnen bij een eerste infectie 5 dagen na het  verschijnen van symptomen. Bij een tweede infectie zullen de IgM antistoffen later  verschijnen en blijven ongeveer 90 dagen aantoonbaar. 

Ingangsdatum:  

De Dengue IgM Background Subtract berust op de Enzyme-Linked ImmunoSorbent Assay, ook wel ELISA genoemd. ELISA is een biochemisch techniek dat gebruikt wordt voor het opsporen van antilichamen in lichaamsvloeistoffen zoals serum. Patiëntenmonsters worden eerst gescreend op Dengue IgM antilichamen. Monsters met een dubieuze of positieve uitslag, worden verder geanalyseerd met behulp van de Background Subtract om vals positieve uitslagen eruit te halen. De patiëntenmonsters worden in duplo bepaald. Na bevochtigen van de putjes, wordt een bepaald hoeveelheid verdund serum aan de putjes toegevoegd. Na 1 uur incubatie worden niet gebonden componenten weggewassen. Aan putje #1 van alle patiëntenmonsters wordt Dengue Virus antigeen toegevoegd en aan putjes #2 sample diluent. Eventueel aanwezige antilichamen in het serummonster zullen in putjes #1 binden aan het Dengue Virus antigeen, terwijl er in principe in putjes #2 geen reactie plaatsvindt. Na 2 uur incuberen worden niet gebonden componenten weggewassen en wordt aan alle putjes muis anti_DV geconjugeerd met peroxidase toegevoegd, die gevormde antilichaam-antigeen complexen herkent en hieraan bindt. Na het wassen van de overmaat conjugaat wordt het substraat toegevoegd die door het enzym peroxidase in een blauwe kleurstof wordt omgezet. De enzymreactie wordt gestopt door toevoeging van het stopreagens, en de kleur verandert van blauw naar geel. De hoeveelheid kleurstof wordt door middel van de optische dichtheid (OD) gemeten

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 100 µL 

Frequentie:  1x per week 

Voorbereiding:  NULL

Afnamecondities:  NULL

Transportcondities:  NULL

 

DHEA- S

Naam bepaling: DHEA- S 

Eenheid: μg/dl 

Referentiewaarden:

Leeftijd            vrouw                man  3 – 9     jaar:       2.1 –    79.0            1.7    –    61.8  

9 – 18     jaar:   16.0 â“ 189.6           21.0  â“  397.720 â“ 29   jaar:  80.2 – 339.5  161.2 – 561.630 – 39   jaar:  58.7  – 227 

Klinische betekenis:  

De Liaison XL meet de hoeveelheid dehydroepiandrosteronsulfaat (DHEA-S) in serum. DHEA-S is een androgeen, dat zowel bij mannen als bij vrouwen aanwezig is. Het speelt een rol bij de ontwikkeling van de secundaire mannelijke geslachtskenmerken tijdens de puberteit. 

DHEA-S kan door het lichaam worden omgezet in sterkere androgenen zoals testosteron en androsteendion. Ook kan het worden omgezet in het vrouwelijke hormoon oestrogeen. 

DHEA-S wordt door de bijnieren gemaakt. Kleinere hoeveelheden worden in de eierstokken van de vrouw en in de zaadballen van de man gemaakt. De productie van DHEA-S staat onder controle van het hypofysehormoon adrenocorticotroop hormoon (ACTH) en andere hypofysefactoren.  

Omdat DHEA-S vooral wordt aangemaakt in de bijnier is het een goede maat voor de hormoonproductie door bijnieren. Bijniertumoren, kanker en goedaardige bijniervergrotingen kunnen leiden tot een overproductie van DHEAS.

Ingangsdatum: 

LIAISON Classic analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA) Zie SOP LIAISON Classic SC035/LIA 

LIAISON XL analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA) Zie SOP LIAISON XL SC052/LIAXL 

Matrix:  Serum 

Volume:  161 μl (11 µl serum + 150 µl doodvolume) 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NULL

Afnamecondities:  NULL

Transportcondities:  NULL

 

Differentiatie (Differentiële telling vanbloedcellen)

Naam bepaling: Differentiatie  (Differentiële telling vanbloedcellen) 

Eenheid: Het aantal cellen wordt in % gerapporteerd 

Referentiewaarden: Zie MLS referentiewaarden lijst 

Klinische betekenis:  

De differentiatie met de Sysmex bestaat uit een 5 delige DIFF analyse die gebruikt wordt om de verschillende leucocyten te identificeren en analyseren. 

Er zijn vijf belangrijke soorten leucocyten te onderscheiden die ieder een functie hebben 

(zie analyseblad Leucocyten HE013/LE). Door het grote aantal cellen dat in korte tijd geanalyseerd wordt is de telling erg precies. Echter wanneer onrijpe of sterk geactiveerde cellen in bloed circuleren, neemt de betrouwbaarheid van de telling af en dient microscopische beoordeling van een bloeduitstrijkje plaats te vinden. Zie SOP Differentiëren van een bloeduitstrijk, HE025/DF. Het apparaat signaleert vaak dat er een controle noodzakelijk is met een ‘flag’. 

Ingangsdatum:  

XE-2100 Sysmex, Sysmex Xn-10 

Flowcytometrie met semiconductor laser. Met deze methode wordt voorwaarts en zijwaarts verstrooid licht en zijwaarts flouriscentie licht gedetecteerd en twee-dimensionale scattergrammen (DIFF en WBC/BASO) getekend. In een DIFF scattergram stelt de x-as de intensiteit van het zijwaarts verstrooid licht voor en de y-as de intensiteit van het zijwaarts fluoriscentie licht. Een DIFF scattergram vertoont de geclassificeerde groepen ‘ghost’ rode bloedcellen, lymfocyten, monocyten , eosinofielen, neutrofielen en basofielen. 

In een WBC/BASO scattergram stelt de x-as de intensiteit van het zijwaarts verstrooid licht voor en de y-as de intensiteit van het voorwaarts verstrooid licht. 

Een WBC/BASO scattergram vertoont de geclassifi-ceerde groepen ‘ghost’ rode bloedcellen, basofielen en andere witte bloedcellen (lymfo’s, mono’s, neutrofielen en eosinofielen). 

Zie SOP XE-2100 Sysmex, maart 2008 

Matrix:  EDTA volbloed. 

Volume:  18 ï l bloed wordt gemeten door de sample rotor en verdund met 0.882 ml STROMATOLYSER-4DL (1:50) en gestuurd naar de reactie kamer. Tegelijkertijd wordt 18 ï l STROMATOLYSER-4DS toegevoegd om het monster 1:51 te verdunnen. Na 22 sec. worden de rode bloed 

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Digoxine

Naam bepaling: Digoxine 

Eenheid: ng/ml 

Referentiewaarden: 0.8 – 2.0 ng/ml 

Klinische betekenis:  

Digoxine is een hartglycoside. Digoxine vergroot de contractiekracht van het hart (positief-inotroop), verlaagt de hartfrequentie (negatief-chronotroop) en vertraagt de atrioventriculaire -geleiding (negatief-dromotroop). 

Wanneer in de twee voorafgaande weken hartglycosiden zijn gebruikt moet een lagere begindosis worden gegeven. Een lagere begin- en onderhoudsdosering moet worden gegeven bij ouderen, bij verminderde nierfunctie en verminderde schildklierfunctie. Patiënten met hypothyroïdie zijn gevoeliger, patiënten met hyperthyroïdie zijn minder gevoelig voor digoxine. Geregeld dient controle plaats te vinden van serumelektrolyten en nierfunctie. Hypokaliëmie, hypoxie, hypomagnesiëmie en een sterke mate van hypercalciëmie vergroten de gevoeligheid van het hart voor hartglycosiden. Voorzichtigheid is geboden na een myocardinfarct. Bij een ernstige respiratoire aandoening kan verhoogde gevoeligheid voor digoxine bestaan. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, competitieve kinetische reactie met micropartikels (KIMS). Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 5.5 µL. 

Frequentie:  Zonodig. 

Voorbereiding:  f 

Afnamecondities: KT

Transportcondities:  KT

 

Direct Coombs Diamed

Naam bepaling: Direct Coombs Diamed 

Eenheid: kwalitatief 

Referentiewaarden: negatief 

Klinische betekenis:  

De directe Coombs test of directe antiglobuline test wordt uitgevoerd voor het aantonen van de aan- of afwezigheid van antistoffen op erytrocyten waardoor deze gesensibiliseerd worden.  

  In-vivo binding van antistoffen op de erytrocyt komt voor bij:  

• (Auto-immuun) hemolytische anemie 

• hemolytische ziekte van de pasgeborene (icterus neonatorum) 

• bij onderzoek naar (uitgestelde) transfusiereacties. 

Ingangsdatum:  

Bij de directe antiglobuline test worden de te onderzoeken erytrocyten geïncubeerd met antistoffen gericht tegen humane globulinen (antihumaanglobuline): anti-IgG, complementfactoren en anti C3d. Indien er IgG-antistoffen en/of complementfactoren in-vivo op de erytrocyt gebonden zijn, zal er agglutinatie optreden. 

Matrix:  

Via een goede venapunctie (zie SOP Bloedafname MA001/BL) wordt het bloed  opgevangen in een vacuümbuis met EDTA. Van het EDTA bloed wordt een  celsuspensie gemaakt zoals beschreven in punt 9.5. 

Volume:  Minimaal 1 ml 

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Drugs screenings

Naam bepaling: Drugs screenings 

Eenheid: Kwalitatief 

Referentiewaarden: Negatief 

Klinische betekenis:  

De Split-Specimen Cup (figuur 1) is een snelle urine screening test die gebruikt kan worden zonder gebruik te maken van een instrument. De test gebruikt monoclonale antilichamen om selectief verhoogde concentraties van specifieke drugs in urine op te sporen.De volgende testen worden met het Split-Specimen cup bepaald: 

 

– Amfetamine (AMP) 

Amfetamine is een gecontroleerde substantie beschikbaar door middel van een 

recept (Dexedrine®), of verkrijgbaar op de zwarte markt. 

Amfetamine is chemisch verwant met de natuurlijke catecholamines in het menselijke lichaam: epinephrine en norepinephrine. Een acuut hoge doses leidt tot toegenomen stimulatie van het centraal zenuwstelsel, en veroorzaakt euforie, waakzaamheid, verminderd eetlust en een gevoel van toegenomen energie en kracht. Cardiovasculaire respons op amfetamine veroorzaakt verhoogde bloeddruk en hart aritmieën. Nog hogere dosering veroorzaakt angstigheid, paranoia, hallucinaties en psychotisch gedrag. 

Ongeveer 30% van de amfetamine wordt onveranderd in de urine uitgescheiden. 

 

– Barbituraten (BAR) 

Barbituraten zijn depressiva voor het centraal zenuwstelsel. Deze worden gebruikt als therapeutische kalmeringmiddel, bij hypnose en als anti-epiliptica. Deze worden oraal toegediend als capsules of tabletten. 

De effecten lijken op vergiftiging met alcohol. Chronisch gebruik van barbituraten lijdt tot tolerantie en lichamelijke afhankelijkheid. 

Ervaring met terugname van symptomen gedurende ontwenning kan ernstig genoeg zijn om de dood te veroorzaken. 

Alleen een kleine hoeveelheid (< dan 5%) van de meeste barbituraten worden onveranderd in de urine uitgescheiden. 

 

– Benzodiazepines (BZO) 

Benzodiazepines zijn medicaties die regelmatig voorgeschreven worden bij de symptomatische behandeling van angstigheid en slaapstoornissen. 

Barbituraten worden door Benzodiazepines vervangen omdat deze veiliger en meer effectief zijn bij de behandeling van angstigheid en slaapstoornissen. 

Benzodiazepines worden ook gebruikt als kalmeringsmiddel vóór sommige chirurgische en medische ingrepen, en voor de behandeling van epileptische aanvallen en bij alcohol ontwenning. 

Risico van lichamelijk afhankelijkheid neemt toe als benzodiazepines regelmatig ingenomen wordt (bv. dagelijks), langer dan enkele maanden, vooral bij dosis hoger dan normaal. Plotseling stoppen met inname kan o.a. moeite met slapen, maag darm stoornissen, verlies van eetlust en huivering veroorzaken. 

Alleen een spoor (<dan 1%) van de meeste benzodiazepines worden onveranderd in de urine uitgescheiden. 

 

– Cocaïne (COC) 

Cocaïne is een krachtig opwekkingsmiddel voor het centrale zenuwstelsel en een plaatselijk verdovingsmiddel. Eerst brengt cocaïne verhoogde psychische energie, euforie, zelfvertrouwen en rusteloosheid die geleidelijk uitloopt in rillingen, overgevoeligheid en krampen. In grote hoeveelheid veroorzaakt cocaïne koorts, ongevoeligheid, moeite met ademhalen en bewusteloosheid. Cocaïne wordt toegediend door snuiven, injectie of roken. 

Cocaïne wordt uitgescheiden in de eerste instantie als benzoylecgonine, een belangrijke metaboliet van cocaïne die tussen 24 – 48 uur na blootstelling met cocaïne gedetecteerd kan worden.  

Maximaal 2% van de doses verschijnt als onveranderde cocaïne in de urine. 

 

– Marihuana (THC) 

Marihuana is een tweehuizige plant die van nature voorkomt in centraal- en West Azië. Marihuana (wiet) bestaat uit de gedroogde bloemtoppen van de vrouwelijke plant van de Cannabis plant. 

De tot blokken geperste hars van de plant wordt hasj genoemd. Marihuana en hasj worden meestal gerookt. Bij het roken of inname via de mond veroorzaakt THC euforie effecten. Gebruikers beleven korttermijn geheugen verlies, voorbijgaande episodes van verwarring en benauwdheid (angstigheid). Lange termijn (zware) gebruikers kunnen gedragstoornissen vertonen. Verhoogde concentratie urine metabolieten worden gevonden binnen enkele uren na blootstelling en blijven aantoonbaar 3 tot 10 dagen na het roken. In het lichaam wordt â–³9- THC (tetrahydrocannabinol) omgezet in â–³9-THCCOOH (carboxy-THC) dat in de urine als belangrijkste metaboliet wordt uitgescheiden. 

Immunoassays voor de screening op cannabinoiden zijn daarom gericht op het aantonen van â–³9-THCCOOH.  

  

– Methamfetamine (mAMP 1.000) 

Methamfetamine is een verslavende stimulerende medicijn die bepaalde systemen in de hersenen activeert. Methamfetamine is chemisch verwant met amfetamine, maar de effecten van methamfetamine op het centraal zenuwstelsel zijn groter. Methamfetamines worden gemaakt in illegale laboratoria en hebben een hoog risico op misbruik en afhankelijkheid. De drug wordt oraal toegediend, geïnjecteerd of ingeademd. Acute hoge dosering kan lijden tot verhoogde stimulatie van het centrale zenuwstelsel, en veroorzaakt euforie, waakzaamheid, verminderd eetlust en een gevoel van toegenomen energie en kracht. Cardiovasculaire respons op methamfetamine veroorzaakt verhoogde bloeddruk en hart aritmieën. Nog hogere dosering veroorzaakt angstigheid, paranoia, hallucinaties, psychotisch gedrag en uiteindelijk depressie en uitputting. Methamfetamine wordt in urine uitgescheiden als amfetamine en geoxideerde derivaten. 10-20% van de methamfetamine wordt onveranderd uitgescheiden. Methamfetamine blijft aantoonbaar in urine gedurende 3 tot 5 dagen, afhankelijk van de urine pH. 

 

– Opiaat (opi 2.000) 

Opiaat verwijst naar alle medicijnen die afgeleid zijn van de opium klaproos, inclusief de natuurlijke producten zoals morfine, codeïne, en de semi synthetische drug heroïne. Opiatische pijnstillers bestaan uit een grote groep stoffen die pijn controleert door de werking van het centrale zenuwstelsel te verlagen. Hoge doses van morfine produceert hoge tolerantie niveaus en psychologisch afhankelijkheid bij een gebruiker.  

Morfine is aantoonbaar in urine verschillende dagen na inname. 

 

– Oxycodone (OXY) 

Oxycodone is een semi synthetisch opiaat meet een structuur identiek als die van codeïne. 

 Oxycodone zorgt, zoals alle andere opiaat antagonisten, voor een pijnstillende werking op het opiaat receptoren in het beenmerg, hersenen en mogelijk ook direct op het aangedane weefsel. Oxycodone wordt voorgeschreven bij het verlichten van matig tot krachtig pijn onder de farmaceutische handelsnamen OxyContin®, Tylox®, Percodan® en Percocet®. Oxocodone verslaving is een steeds groter probleem in de Westerse wereld. 

Oxycodone is aantoonbaar in urine verschillende dagen na inname. 

 

– Propoxyphene (PPX) 

Propoxyphene is een verdovende/pijnstillend mengsel dat de dezelfde structuur heeft als methadon. 

In het menselijke lichaam wordt propoxyphene omgezet tot norpropoxyphene. 

Ophoping van norpropoxyphene in het systeem door overdosis kan intoxicatie veroorzaken.  

 

– Methyleendioxymethamfetamine (MDMA) 

Methyleendioxymethamfetamine (ecstasy) is een medicijn die in 1914 gesynthetiseerd werd door een Duitse Pharma Bedrijjf voor het behandelen van obesitas. De personen die de medicijn innamen klaagden van zweten en toename van spanning in de spieren. MDMA is duidelijk geen opwekkingsmiddel zoals amfetamine medicijnen, toch heeft MDMA de capaciteit om de bloeddruk en de hartslag te verhogen. MDMA veroorzaakt verandering in waarnemingen, zoals verhoogde gevoeligheid voor licht, moeilijkheid bij het concentreren, en onscherp gezichtsvermogen. 

Het meest opvallende effect van MDMA is het dichtklemmen van de kaken. 

Ingangsdatum:  

De Split-Specimen Cup is een immuunbepaling gebaseerd op het principe van competitieve binding. Drugs die aanwezig zijn in het urinemonster gaan een competitie aan met het respectievelijk conjugaat om een binding te vormen op het specifieke antilichaam. Tijdens de test, migreert het urinemonster omhoog door capillaire beweging. Het antilichaam reageert dan met het drug-eiwit conjugaat waarbij een gekleurde lijn zichtbaar wordt op de specifiek drug teststrip. Bij aanwezigheid van hoeveelheid drugs boven de cut-off waarde, worden alle bindingsplaatsen op het antilichaam verzadigd, waardoor er geen gekleurde lijn zichtbaar wordt op het drug teststrip. 

Indien de hoeveelheid aanwezige drug in het urinemonster onder zijn cut-off waarde is, gaat deze geen binding vormen aan zijn specifieke antilichaam. 

Matrix: Het urinemonster wordt opgevangen in een steriel potje. Op het potje staat een temperatuur indicator strip waarmee de temperatuur van het urinemonster gecontroleerd moet worden. Het temperatuur indicator strip moet een kleuring vertonen tussen 31 tot 39 Â

Volume:  NULL

Frequentie: NULL

Voorbereiding:  NULL

Afnamecondities:  NULL

Transportcondities:  NULL

 

dsDNA

Naam bepaling: dsDNA 

Eenheid: IU/ml 

Referentiewaarden: < 20 IU ml: negatief 20 – 25 IU/ml: verdacht> 25 IU/ml: positiefPatiëntenmonsters die verdacht zijn voor dsDNA moeten herhaald worden. Indien positief bij herhaling, dan als positief rapporteren. Indien bij herhaling negatief, monster als negatief 

Klinische betekenis:  

Het menselijk lichaam beschikt over een immuunsysteem dat het lichaam beschermt tegen ziekteverwekkers zoals virussen, bacteriën, schimmels en kankercellen. Het immuunsysteem reageert op de aanwezigheid van lichaamsvreemde cellen/stoffen, ook wel antigenen genoemd, door een immuunreactie op gang te zetten en specifieke antilichamen aan te maken. In sommige gevallen kan het immuunsysteem ook lichaamseigen cellen of delen hiervan als lichaamsvreemd aanzien. Het immuunsysteem reageert hierop door auto-antilichamen aan te maken, die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van auto-immuunziekten.  

Anti-DNA antilichamen kunnen onderverdeeld worden in antilichamen tegen enkelstrengs DNA en antilichamen gericht tegen dubbelstrengs DNA (dsDNA). Antilichamen gericht tegen dsDNA zijn kenmerkend voor Systemische Lupus Erythematodes (SLE). SLE is een auto-immuunziekte waarbij allerlei organen worden aangetast. Enkele symptomen zijn rode wangen (vlinderexantheem), mond- en keelzweertjes, gewrichtsontsteking, nierafwijkingen, neurologische stoornissen etc.

Ingangsdatum:  LIAISONâ analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA). Zie SOP LIAISONâ SC035/LIA. 

Matrix:  Serum 

Volume:  170 µl (20 µl materiaal + 150 µl dood volume) 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

EBNA IgG

Naam bepaling: EBNA IgG 

Eenheid: U/ml 

Referentiewaarden: Negatief: <5 U/mlEquivocal: 5-20 U/mlPositief: >20 U/ml 

Klinische betekenis:  

EBNA-1 IgG antilichamen worden gebruikt voor de kwantitatieve detectie van humane IgG antilichamen tegen Epstein-Barr Virus Nuclear Antigeen 1. EBNA-1 IgG wordt uitsluitend gebruikt voor de detectie van een in het verleden opgelopen infectie.  

Epstein-Barr virus (EBV) is de oorzaak van infectieuze mononucleosis (kissing disease). Net zoals alle herpesvirussen wordt EBV over de hele wereld verspreid. EBV speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van maligne aandoeningen, waaronder Burkitt’s lymfoom, nasofaryngeale carcinomen en lymfoproliferatieve syndromen. Het virus wordt overgedragen via speeksel. De seroprevalentie bij volwassenen is 90 – 95%. De meeste infecties verlopen asymptomatisch. 

In de eerste fase worden de speekselklieren geïnfecteerd, wat leidt tot algemene griepachtige symptomen. Vervolgens verplaatst het virus zich naar de B-lymfocyten en verspreidt zich door het lichaam wat kan leiden tot infectieuze mononucleosis. De symptomen hiervan zijn lymfadenitis met hoge koorts, vergrote milt, trombocytopenie en eventueel hepatitis. Ongeveer drie weken na het begin van de symptomen worden er IgG antilichamen tegen het Epstein-Barr virus Nucleair antigeen 1 gevormd. De aanwezigheid van deze antilichamen duidt op een verschuiving van de actieve fase van het virus naar een latente fase.  

serummonster kunnen resultaten beïnvloeden. 

De EBNA IgG bepaling wordt verstoord door hoge bilirubine (> 20 mg/dl), hemoglobine (> 1000 mg/dl) en triglyceride (> 3000 mg/dl) concentraties

Ingangsdatum:  LIAISON Classic analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA) Zie SOP LIAISON Classic SC035/LIA 

Matrix:  Serum 

Volume:  170 µl (20 µl serum + 150 µl doodvolume) 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NULL

Afnamecondities:  NULL

Transportcondities:  NULL

 

EBV IgM

Naam bepaling: EBV IgM 

Eenheid: U/ml 

Referentiewaarden: Negatief: < 20 U/mlEquivocal: 20 – 40 U/mlPositief: > 40 U/ml 

Klinische betekenis:  

Het Epstein Barr Virus (EBV) is een humaan herpesvirus type 4 dat de ziekte van Pfeiffer (mononucleosis infectiosa) veroorzaakt. Het virus bevindt zich in de mond en keel en wordt via het speeksel (oraal-oraal contact) verspreid. Hierdoor wordt de ziekte van Pfeiffer ook wel de “kissing disease” genoemd. Epstein Barr virus infecties komen vooral voor beneden het dertigste levensjaar, met een piek rond de adolescentie en verlopen vaak symptoomloos, doordat het virus zich in een latente fase bevindt. Een acute infectie kan op oudere leeftijd leiden tot reactivatie van het virus bij tieners en jonge volwassenen, wat kan leiden tot verschillende ziekteverschijnselen. Vermoeidheid is het meest voorkomende ziekteverschijnsel gevolgd in sommige gevallen door keelpijn, keelontsteking, koorts, en klierzwellingen. De serologische diagnose van de ziekte van Pfeiffer houdt in het aantonen van specifieke antilichamen, IgM en IgG, tegen de Epstein Barr Virus. Serologisch diagnostiek binnen zeven dagen na het begin van de klachten is niet zinvol, omdat de testuitslag dan niet betrouwbaar is. EBV IgM antilichamen worden tijdens de infectie vroeg gevormd en hun aanwezigheid wijst op een recente infectie. De aanwezigheid van VCA-IgG (viral capsid antigen) antilichamen wijst op een recente dan wel een in het verleden doorgemaakte infectie. Bepalend voor de aanwezigheid van deantilichamen is de infectieduur waarbij ze gemeten worden. VCA-IgG antilichamen blijven levenslang aantoonbaar, terwijl EBV-IgM antilichamen binnen zes tot twaalf weken niet meer aantoonbaar zijn.  

De serologische criteria voor een primaire EBV-infectie zijn:  

IgM tegen VCA aanwezig; én IgG tegen VCA hoog of stijgend; én antistoffen tegen EBNA laag of afwezig.  

Aanwezigheid van heterofiele antistoffen is in deze context een extra argument voor primaire infectie, maar deze bepaling is voor het vaststellen van een primaire infectie niet noodzakelijk.  

Seroprofiel passend bij een doorgemaakte EBV-infectie:  

VCA-IgM antistoffen afwezig; en VCA-IgG en EBNA antistoffen aanwezig (deze blijven levenslang aantoonbaar).  

Op deze basisregel zijn er twee belangrijke uitzonderingen die met enige regelmaat voorkomen. Bij een klein deel van de patiënten is er sprake van persisterend VCA-IgM als seroconversie voor EBNA al is opgetreden. Dit wordt toch beschouwd als doorgemaakte infectie. Een enkele maal treedt geen seroconversie voor EBNA op. Als er bij herhaling sprake is van een seroprofiel waarin alleen VCA-IgG aantoonbaar is, wordt dit ook beschouwd als passend bij een doorgemaakte infectie. 

Ingangsdatum: 

LIAISON Classic analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA) Zie SOP LIAISON Classic SC035/LIA 

LIAISON XL analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA) Zie SOP LIAISON XL SC052/LIAXL 

Matrix:  Serum 

Volume:  170 µl (20 µl materiaal + 150 µl dood volume) 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Eiwit in urine

Naam bepaling: Eiwit in urine 

Eenheid: mg/l 

Referentiewaarden: < 150 mg/l 

Klinische betekenis:  

Proteïnurie is een algemeen begrip voor het vóórkomen van eiwit in urine (> 300 mg/24 uur). Proteïnurie is een belangrijke aanwijzing voor een nieraandoening. 

Ondanks het feit dat proteïnurie vaak voorkomt bij nierziekten, is dit geen nierspecifiek symptoom (ook bij hartziekten en schildklieraandoeningen). De oorzaak van een proteïnurie dient altijd uitgezocht te worden. Een proteïnurie ontstaat door een toegenomen aanbod van eiwit aan de nier, wanneer de glomerulaire doorlaatbaarheid is toegenomen en als de tubulaire terugresorptie vermindert.  

 Een goedaardige proteïnurie wordt vaak waargenomen in de leeftijdsgroep tot 30 jaar en wordt veroorzaakt door o.a. fysieke stress (sport), emotionele stress, zwangerschap en toediening van vaatvernauwende medicatie. 

 Een renale proteïnurie ontstaat als door ontstekingsprocessen de doorlaatbaarheid van de glomerulus is toegenomen en/of de terugresorberende capaciteit van de tubulus wordt verminderd of overschreden. Dit komt voor bij o.a. het nefrotisch syndroom, een glomerulonefritis en bij tubulaire beschadigingen van de nier door medicijnen of zware metalen. 

 Extrarenale proteïnurieën komen voor bij o.a. acute koortsende ziekten, hongeren, verbranding, spiernecrose (myoglobine), hemolytische anemie (hemoglobine), multiple myeloom (Bence-Joneseiwit), na zware operaties en infarcten 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, turbidimetrie. Zie SOP Cobas 6000 KC034/COB. 

Matrix:  Urine; 24 uurs of urineportie 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 6 µL. 

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Eosinofielen

Naam bepaling: Eosinofielen 

Eenheid: /µL 

Referentiewaarden: 40 – 400 /µL 

Klinische betekenis:  

Eosinofiele granulocyten ontwikkelen zich uit de hematopoëtische stamcellen in het beenmerg. De voorloper van de eosinofiele granulocyt is de eosinofiele myelocyt. In alle stadia van differentiatie hebben eosinofiele granulocieten grote, heldere oranjerode korrels. De korrels bevatten allerlei stoffen die na activering van de eosinofielen worden uitgestoten en in de directe omgeving werkzaam zijn. De eindorganen voor de eosinofiele granulocyten zijn de longen, de huid en de darmen. Hun belangrijkste functies zijn een regulerende rol bij allergische reacties en het vernietigen van parasieten, in het bijzonder wormen. 

Verhoogde eosinofielen, eosinofilie (400 Ã  500 /µl) komt voor o.a. bij allergische reacties zoals astma, hooikoorts, voedselallergie, overgevoeligheid voor geneesmiddellen en bij sommige huidziekten.  

Sterke eosinofilie komt voor bij parasitaire infecties. Extreem verhoogde concentraties eosinofielen duiden meestal op een chronische myeloproliferatieve ziekte of het eosinofiel syndroom.  

Bij gezonde personen worden nauwelijks eosinofielen in bloed gevonden, zodat eosinopenie (verlaagde eosinofielen) eigenlijk niet bestaat. 

Ingangsdatum: 

XE-2100 Sysmex, Flowcytometrie met gebruik van  

semiconductor laser. Zie SOP XE-2100 Sysmex, maart 2008 

Zie SOP Sysmex XN-10, 2017 

Matrix:  EDTA volbloed. 

Volume:  Bij de analyse opgezogen hoeveelheid monster:- manual en capillary mode 130 µl- sampler/closed mode 200 µlhiervan wordt 4 µl gebruikt voor de bepaling 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Eiwitelektroforese

Naam bepaling: Eiwitelektroforese 

Eenheid: g/dl 

Referentiewaarden: Albumine   3.10 – 5.10 g/dLa1 – globuline   0.10 – 0.40 g/dLa2 – globuline   0.50 – 1.20 g/dLb – globuline   0.70 – 1.60 g/dLg – globuline  0.60 – 2.10 g/dL 

Klinische betekenis:  

Eiwitelectroforese wordt m.n. verricht voor de detectie van M-proteïnen.  

Door eiwitelectroforese worden serumeiwitten in tenminste 5 fracties gescheiden. Deze 5 fracties zijn: albumine, 1-, 2-, -globulinen, en -globulinen.  

 Albumine is een belangrijk transporteiwit. De colloïde osmotische druk in plasma wordt voor 80% bepaald door albumine.  

Hypoalbumine wordt gezien bij: 

 een verlaagde aanmaak (sterke ondervoeding, malabsorptie, levercirrose, hypothyreoïdie en maligniteiten) 

 een verhoogd verlies via de nier (nefrotisch syndroom) of dunne darm 

 een combinatie van genoemde factoren 

Hypoalbumine komt ook voor bij ernstige brandwonden, bij acute en chronische infecties (verminderde aanmaak en lekkage door de vaatwand). 

 1-globulinen: 1-antitrypsine (AAT) en 1-acid glycoprotein (AAG) zijn beiden verhoogd bij infecties ( acuut fase eiwitten) en chronische hepatitis. 

 2-globulinen: haptoglobuline (HAP) is een acuutfase eiwit, verhoogd bij infecties. Een verhoogde 2-fractie wordt ook gezien bij een aantal auto-immuunziekten (o.a. reumatoïde artritis). 

 -globuline: Deze eiwitfractie kan onderverdeeld worden in 1- en 2-globuline.  

1-globulinen: een toename van deze fractie wordt gezien bij ijzergebreksanemie (toename van transferrine). Transferrine is een negatief acute fase eiwit, dus verlaagd bij infecties. 

2-globulinen: de belangrijkste component hiervan is het complementeiwit C3. 

 -globulinen: de belangrijkste eiwitten in deze fracties zijn IgA, IgG en IgM. Een toename van deze fractie als gevolg van een immuun reactie (infecties) wijst op een polyclonale -globuline verhoging. 

Oligoclonale banden kunnen gezien worden bij chronische hepatitis en sommige virale infecties. Een afname of afwezigheid van de -fractie is een indicatie voor een verworven of congenitale immuun deficiëntie of een hematologische maligniteit. 

 M-proteïne: Afwijkende patronen of extra banden kunnen duiden op de aanwezigheid van monoklonale eiwitten in het serum (M- proteïnen). 

Bij een M-proteïne is er sprake van een structureel homogene immunoglobuline of een deel daarvan dat wordt gesynthetiseerd en uitgescheiden door een kloon van B-lymfocyten of plasmacellen. 

M-proteïnen bevinden zich meestal als extra band in het gamma gebied en kunnen in sommige gevallen verstopt liggen in het bèta gebied. 

Monoklonale eiwitten worden nader geanalyseerd m.b.v. immunofixatie. 

  

De aanvraag voor een eiwitspectrum is vooral zinvol voor de volgende indicaties: 

– het aantonen van een M-proteïne bij een klinische verdenking op de ziekte van Kahler (multipel myeloom). 

– een M-proteïne (in lage concentraties) aan te tonen als oorzaak van een polyneuropathie. 

– een M-proteïne uit te sluiten bij een hoog totaal eiwit, relatief laag albumine of een hoge bezinking. 

– een onverklaarbare hoge bezinking of totaal eiwit te analyseren. 

Ingangsdatum:  

Eiwitelectroforese is een scheidingsmethode waarbij eiwitten onder invloed van een elektrisch veld gescheiden worden. Met de QuickGel Serum Proteïne methode worden de serumeiwitten op agarose gel gescheiden met gebruik van electroforetische en electroendosmotische krachten. De scheiding is afhankelijk van de elektrische lading en grootte van de eiwitten bij een bepaalde pH-waarde. Na eiwitelectroforese worden de gescheiden eiwitten gekleurd met Acid blue stain, waardoor de eiwitfracties als bandjes op de gel zichtbaar worden. De kleurintensiteit en bandbreedte zijn een maat voor de afzonderlijke eiwitfracties. De eiwitfracties worden na ontkleuren en drogen gescand en wordt er een eiwitspectrum gevormd

Matrix:  Serum afgenomen d.m.v. venapunctie. 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 150 μl. 

Frequentie:  1x per week 

Voorbereiding:  KVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Erytrocyten

Naam bepaling: Erytrocyten 

Eenheid: 106 µL (M/µL) 

Referentiewaarden: m. 4.0 – 6.0 106/µLv.  3.6 – 5.3 106 µL 

Klinische betekenis:  

Erytrocyten vormen het eindstadium van de erytropoëse, de aanmaak en ontwikkeling van rode bloedcellen. De erytropoëse vindt plaats in het rode beenmerg van de wervels en platte beenderen en op kinderleeftijd in de pijpbeenderen. De erytropoëtische stamcel deelt zich een aantal malen en differentieert via verschillende stadia tot de normoblast, het laatste stadium dat nog een kern heeft. De kern wordt uitgestoten, waarna de onrijpe erytrocyt vanuit het beenmerg naar het bloed overgaat. Deze onrijpe erytrocyt heet in dit stadium reticulocyt en rijpt in ongeveer 2 dagen uit tot erythrocyt. De erytrocyt heeft normaal een levensduur van 120 dagen en wordt daarna afgebroken in het reticulo-endotheliale systeem. De erytrocyt is een kernloze cel, die een biconcave vorm heeft. Deze vorm verschaft zowel een groot oppervlak, nodig voor de uitwisseling van zuurstof als grote vervormbaarheid die noodzakelijk is om ook de kleinste bloedvaatjes te kunnen passeren.  

Erytrocyten verhoogd; erytrocytose, komt voor als compensatoire reactie op zuurstofgebrek bij zware rokers, bij hartfalen, longziekten en verblijf op grote hoogte. 

Lichte en matige erytrocytose kan ook gezien worden bij thallasemie, bijna altijd in combinatie van microcytaire erytrocyten. 

Verlaagde concentraties erytrocyten komen voor in alle gevallen van anemie waarbij de aanmaak van erytrocyten verlaagd (beenmerginsufficiëntie, tekort aan ijzer, vitamine B12 of foliumzuur) en afbraak verhoogd is (bloedverlies, hemolytische anemie). 

Er zijn echter ook vormen van anemie waarbij de erytrocyten niet verlaagd zijn, zoals sommige typen hemoglobinopathie, deficiëntie van glycolytische enzymen (o.a. G6PD) en afwijkingen uit het cytoskelet van erytrocyten (bv. hereditaire sferocytose)

Ingangsdatum: 

XE-2100 Sysmex, Sysmex XN-10 

Hydro Dynamische Focussing (DC detection), Zie SOP XE-2100 Sysmex, maart 2008 

Zie SOP Sysmex XN-10, 2017 

Matrix:  EDTA volbloed. 

Volume:  Bij de analyse opgezogen hoeveelheid monster:- manual en capillary mode 130 µL- sampler/closed mode 200 µLhiervan wordt 4 µL gebruikt voor de bepaling 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding: NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Estradiol

Naam bepaling: Estradiol 

Eenheid: pg/ml 

Referentiewaarden: vrouw:foll. fase  < 12.5 – 166 pg/mlmid. cycl. 85.8 – 498 pg/mllut. fase 43.8 – 211 pg/mlmenopauze < 5 – 54.7 pg/mlman:  <7.6 – 42.6 pg/ml 

Klinische betekenis:  

Oestrogenen zorgen voor de ontwikkeling van de secundaire vrouwelijke sex karakteristieken. Oestrogenen worden voornamelijk geproduceerd in de eierstokken, maar ook worden kleine hoeveelheden gevormd in de testis en de bijnierschors. 

Gedurende de zwangerschap worden oestrogenen hoofdzakelijk gevormd in de placenta. 

De bepaling van estradiol wordt gebruikt in het oplossen van fertiliteits afwijkingen, gynaecomastie, oestrogeen-producerende ovariën, tumoren van de testis en bij hyperplasie van de bijnierschors. 

Verdere klinische indicaties zijn het volgen van fertiliteitstherapie en bepalen van het tijdstip van ovulatie in het kader van in vitro fertilisatie (IVF). 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, ECLIA; Competitieve immunoassay principe. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 25 Âµl. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Section

I am text block. Click edit button to change this text. Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.

F13 (Pinda)

Naam bepaling: F13 (Pinda) 

Eenheid: kUA/L 

Referentiewaarden: Negatief: < 0.35 kUA/L Positief: Klasse                   Concentratie (kUA/L) 1                                 0.36 – 0.70 2                                0.71 – 3.50 3                                3.51 -17.5 4     

Klinische betekenis:  

F13 is een van de componenten van voedselmix fx5. Bij een positieve fx5 uitslag wordt verder getest voor o.a. f13, het specifieke allergeen voor pinda. De pinda is geen noot maar de vrucht van een eenjarige peulvrucht plant. Pinda’s zijn een belangrijke veroorzaker van voedselallergie bij zowel volwassenen als kinderen. Pinda allergie begint vaak op jonge leeftijd en in tegenstelling tot veel andere voedselallergieën blijft de patiënt levenslang allergisch. Slechts een klein percentage van de jonge kinderen ontwikkelt tolerantie. Allergische reacties kunnen variëren van mild tot matig ernstig, maar zijn vaker ernstig of zelfs fataal. Bekende symptomen van pinda-allergie zijn: atopische dermatitis, angio-oedeem, astma diarree, misselijkheid, overgeven en systemische reacties. Omdat een ernstige pinda-allergie bij astmatische kinderen een risico kan inhouden voor levensbedreigende acute gegeneraliseerde allergische reacties worden kinderen met astma ook onderzocht op pinda-allergie. 

Ingangsdatum: 

ImmunoCAP/Phadia 100;  ELIA technologie. 

Zie SOP ImmunoCAP/Phadia 100 

Matrix:  Serum  

Volume:  Minimaal 2 ml. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

F1 (kippeneiwit)

Naam bepaling: F1 (kippeneiwit) 

Eenheid: kUA/L 

Referentiewaarden: Negatief: < 0.35 kUA/L Positief: Klasse                   Concentratie (kUA/L) 1                                 0.36 – 0.70 2                                0.71 – 3.50 3                                3.51 -17.5 4    

Klinische betekenis: 

F1 is een van de componenten van voedselmix fx5. Bij een positieve fx5 uitslag wordt verder getest voor o.a. f1, het specifieke allergeen voor eiwit. 

Een allergie voor ei wordt als een van de meest voorkomende oorzaken gezien voor 

voedselallergie bij kinderen. Eispecifieke anti-IgE-antistoffen zijn normaal gesproken de eerste antistoffen bij kinderen die atopische aandoeningen ontwikkelen. Eiwit is vaak verantwoordelijk voor het op jonge leeftijd ontwikkelen van allergische reacties in de vorm van huidoedeem en eczeem. 

Ingangsdatum: 

ImmunoCAP/Phadia 100;  ELIA technologie. 

Zie SOP ImmunoCAP/Phadia 100 

Matrix:  Serum  

Volume:  Minimaal 2 ml. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Ex1 (huisdierenmix)

Naam bepaling: Ex1 (huisdierenmix) 

Eenheid: kUA/L 

Referentiewaarden: Negatief: < 0.35 kUA/L Positief: Klasse                   Concentratie (kUA/L) 1                                 0.36 – 0.70 2                                0.71 – 3.50 3                                3.51 -17.5 4    

Klinische betekenis:  

Ex1 is een mengsel van specifieke huisdier allergenen. Ex1 is van toepassing bij het vermoeden van een huisdieren-allergie. Het mengsel bestaat uit de allergenen e1( cat dander = kat epitheel), e3 (horse dander = paard, haar en huidschilfers), e4 (cow dander = rund, haar en huidschilfers) en e5 (dog dander = hond, haar en huidschilfers). Enkele symptomen van allergische reacties veroorzaakt door huisdierallergenen zijn: astma, eczeem, oogbindvlies ontsteking en hooikoorts. Huisdierallergenen zijn overal te vinden, ze kunnen gemakkelijk verspreid worden via kleding 

Ingangsdatum: 

ImmunoCAP/Phadia 100;  ELIA technologie. 

Zie SOP ImmunoCAP/Phadia 100 

Matrix:  Serum  

Volume:  Minimaal 2 ml. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Ethanol (Alcohol)

Naam bepaling: Ethanol (Alcohol) 

Eenheid: g/L 

Referentiewaarden: Bloed: negatief (<0.1 g/l)Urine: negatief (<0.1 g/l) 

Klinische betekenis:  

Ethanol wordt uit de darm via de poortader naar de lever vervoerd, waar een oxidatieve omzetting plaatsvindt. De hoeveelheid alcohol die wordt geoxideerd is een functie van tijd en van lichaamsgewicht maar niet van de alcoholconcentratie. De oxidatiesnelheid ligt gemiddeld op 10 g (220 mmol) alcohol per uur. Dit komt overeen met ‘een glas per uur’. Het grootste gedeelte (80%) alcohol wordt omgezet via het enzym alcoholdehydrogenase terwijl het resterende gedeelte door microsomale enzymen in de lever wordt afgebroken tot het toxische aceetaldehyde. 

De intoxicatie die optreedt door de consumptie van alcohol, blijkt per persoon nogal te verschillen. De ene persoon verdraagt alcohol beter dan de ander; ook is de invloed op het gedrag van persoon tot persoon verschillend. 

Internationaal wordt van intoxicatie gesproken bij 1.5 g/l (32 mmol/l), terwijl de letale concentratie ligt tussen 5-8 g/l (100-175 mmol). 

Op de nuchtere maag genuttigd vertoont alcohol vervolgens een piek na 40-70 minuten. Alcohol na de maaltijd wordt langzamer opgenomen. 

De alcoholbepaling wordt gebruikt bij de diagnose en behandeling van alcoholvergiftiging. Bij coma van onbekende oorsprong kan de alcoholbepaling van nut zijn om onderscheid te maken met andere mogelijke oorzaken, zoals diabetisch coma, hersentrauma of overdosis drugs. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, enzymatische methode met alcoholdehydrogenase. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  SerumGebruik geen alcoholwipes of andere vluchtige ontsmettingsmiddelen bij de bloedafname 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 4 µL. 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  Gebruik geen alcoholswipes. 

Transportcondities:  KT

 

F14 (soja)

Naam bepaling: F14 (soja) 

Eenheid: kUA/L 

Referentiewaarden: Negatief: < 0.35 kUA/L Positief: Klasse                   Concentratie (kUA/L) 1                                 0.36 – 0.70 2                                0.71 – 3.50 3                                3.51 -17.5 4 

Klinische betekenis:  

F14 is een van de componenten van voedselmix fx5. Bij een positieve fx5 uitslag wordt verder getest voor o.a. f14, het specifieke allergeen voor soja. Soja behoort tot de familie van vlinderbloemen. Sojabonen zijn gedroogde, rijpe vruchten van een eiwitrijke peulvrucht die gekweekt wordt als voedingsmiddel voor mens en dier. Soja wordt beschouwd als een voedingsmiddel waartegen kinderen vaak allergische reacties vertonen. De allergische reacties op soja zijn hoofdzakelijk maag- en huidproblemen, maar ook luchtwegsymptomen alsook ernstige allergische reacties komen voor. Er zijn gevallen bekend van patiënten met IgE-gemedieerde symptomen na inname van sojabonen. Sojastof kan ook als inhalatieallergeen werken. 

Wereldwijd zijn er gevallen bekend van epidemische astma in gebieden rond havens waar sojabonen worden gelost. Beroepsastma bij bakkers en personeel in de voedingsmiddelindustrie kan worden veroorzaakt door sojabloem. 

Ingangsdatum: 

ImmunoCAP/Phadia 100;  ELIA technologie. 

Zie SOP ImmunoCAP/Phadia 100 

Matrix:  Serum  

Volume:  Minimaal 2 ml. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  KVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

F2 (Koemelk)

Naam bepaling: F2 (Koemelk) 

Eenheid: kUA/L 

Referentiewaarden: Negatief: < 0.35 kUA/L Positief: Klasse                   Concentratie (kUA/L) 1                                 0.36 – 0.70 2                                0.71 – 3.50 3                                3.51 -17.5 4 

Klinische betekenis:  

F2 is een van de componenten van voedselmix fx5. Bij een positieve fx5 uitslag wordt verder getest voor o.a. f2, het specifieke allergeen voor koemelk. 

Koemelk is een belangrijke veroorzaker van overgevoeligheid bij jonge kinderen. Sommige patiënten blijven hun leven lang allergisch.  

Melkpecifieke anti-IgE-antistoffen kunnen al aanwezig zijn voordat de eerst klinische 

tekenen van allergie tot uiting komen. Hierdoor kunnen in-vitro metingen een goede 

voorspellende waarde hebben. De prognose van jonge kinderen om over een koemelk allergie heen te groeien, is veel beter dan die bij oudere kinderen of volwassenen. 

De symptomen van koemelkallergiebij jonge kinderen zijn vaak dermatologisch en gastro-intestinaal van aard. Vaak is er op jonge leeftijd al sprake van eczeem. Kinderen die al op jonge leeftijd sensibilisatie tonen voor koemelkeiwit, hebben later een grotere kans op het ontwikkelen van ander voedselallergieën en sensibilisatie voor inhalatieallergenen.

Ingangsdatum: 

ImmunoCAP/Phadia 100;  ELIA technologie. 

Zie SOP ImmunoCAP/Phadia 100 

Matrix:  Serum  

Volume:  Minimaal 2 ml. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

F3 (kabeljauw)

Naam bepaling: F3 (kabeljauw) 

Eenheid: kUA/L 

Referentiewaarden: Negatief: < 0.35 kUA/L Positief: Klasse                   Concentratie (kUA/L) 1                                 0.36 – 0.70 2                                0.71 – 3.50 3                                3.51 -17.5 4 

Klinische betekenis:  

F3 is een van de componenten van voedselmix fx5. Bij een positieve fx5 uitslag wordt verder getest voor o.a. f3, het specifieke allergeen voor kabeljauw (vis). Kabeljauw is een van de belangrijkste consumptievissen ter wereld. Allergische reacties op vis zijn een veel voorkomende oorzaak van voedselallergie. Patiënten die allergisch zijn voor vis vertonen vaak zeer ernstige symptomen zoals astma en acute gegeneraliseerde allergische reacties. Sommige patiënten die allergisch zijn voor bepaalde vissoort verdragen andere vissoorten wel, wat duidt op specifieke allergenen. 

Kinderen met een visallergie blijven vaak op latere leeftijd overgevoelig voor vis. 

Ingangsdatum: 

ImmunoCAP/Phadia 100;  ELIA technologie. 

Zie SOP ImmunoCAP/Phadia 100 

Matrix:  Serum  

Volume:  Minimaal 2 ml. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

F4 (tarwe)

Naam bepaling: F4 (tarwe) 

Eenheid: kUA/L 

Referentiewaarden: Negatief: < 0.35 kUA/L Positief: Klasse                   Concentratie (kUA/L) 1                                 0.36 – 0.70 2                                0.71 – 3.50 3                                3.51 -17.5 4 

Klinische betekenis:  

F4 is een van de componenten van voedselmix fx5. Bij een positieve fx5 uitslag wordt verder getest voor o.a. f4, het specifieke allergeen voor tarwe. Tarwe behoort tot de grassenfamilie en is één van de belangrijkste granen ter wereld. Tarwe behoort tot de top 6 van voedingsmiddelen die verantwoordelijk zijn voor IgE-gemedieerde allergische reacties bij kinderen. De reacties treden normaal gesproken binnen 1 uur na tarwe-inname op. IgE-gemedieerde allergische reacties na de inname van tarwe proteïne lopen uiteen van gatro-intestinale, respiratoire tot cutane symptomen. De belangrijkste proteïnen in tarwe (albumine, globuline en gluten) variëren per soort. Deze variatie is een van de redenen waarom de reacties op verschillende tarweproducten niet consistent zijn. Blootstelling aan tarwe kan verschillende levensbedreigende systemische reacties veroorzaken. Sensibilisatie door inhalatie kan bakkersastma veroorzaken, een veel voorkomende allergie in de brood- en banketindustrie. 

Ingangsdatum: 

IImmunoCAP/Phadia 100;  ELIA technologie. 

Zie SOP ImmunoCAP/Phadia 100 

Matrix:  Serum  

Volume:  Minimaal 2 ml. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Fenytoine (Dilantine)

Naam bepaling: Fenytoine (Dilantine) 

Eenheid: µg/ml 

Referentiewaarden: 10-20 µg/ml 

Klinische betekenis:  

Fenytoïne (dilantine) is een anti-epilepticum. Fenytoïne verhindert het optreden van epileptische aanvallen en verbetert de atrioventriculaire geleiding, indien deze door hartglycosiden, zoals digoxine is verlengd. De werking als anti-arrhythmicum berust op het onderdrukken van spontane depolarisatie in atrium- en ventrikelweefsel. 

Het werkingsmechanisme bij epilepsie is nog niet geheel duidelijk.  

Een epileptische aanval brengt het risico van een ongeval met zich mee en verder kunnen aanvallen steeds frequenter gaan optreden. De behandeling van epilepsie is daarom gericht op het onderdrukken (preventie) van volgende aanvallen. Naar alle waarschijnlijkheid hebben anti-epileptica geen invloed op de prognose van de epilepsie. De behandeling bestaat uit het chronisch gebruik van anti-epileptica, waarbij monotherapie de voorkeur heeft. 

Gestart wordt met monotherapie met het middel van eerste keuze. Bij onvoldoende effect (er treden nog steeds aanvallen op maar verder ophogen van de dosering is niet meer mogelijk omdat de bijwerkingen de kwaliteit van leven verstoren) wordt overgestapt naar een ander middel van eerste keus of naar een middel van tweede keus via het ‘add on’ principe: het middel wordt toegevoegd aan het eerste middel en pas bij een gunstig effect wordt het eerste middel geleidelijk uitgeslopen. Wanneer twee Ã  drie middelen in monotherapie hebben gefaald, gaat men over tot het proberen van combinaties van anti-epileptica. Fenytoïne is een tweede of derde keus middel bij de behandeling van epileptische aanvallen. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, competitieve kinetische reactie met micropartikels (KIMS). Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum  

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 1.7 µL. 

Frequentie:  Zonodig. 

Voorbereiding:  Bij voorkeur afname voor inname volgende dosis. 

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Ferritine

Naam bepaling: Ferritine 

Eenheid: ng/ml 

Referentiewaarden: Mannen: 30-400 ng/mlVrouwen: 13-150 ng/ml 

Klinische betekenis:  

Ferritine is een acute-fase eiwit dat voornamelijk voorkomt in de lever, milt en beenmerg. 

De ferritinemolecuul bestaat uit een complex van een eiwitkapsel van apoferritine en een kern van ijzer. IJzer komt als Fe(II) het complex binnen en wordt daar geoxideerd tot FE(III) en opgeslagen. Door de bepaling van ferritine kan een idee worden verkregen van het reserve-ijzer in het lichaam. Als vuistregel kan worden gehanteerd dat 1 ng/ml serumferritine correspondeert met 8 µg opgeslagen Fe.  

Ferritineconcentraties lager dan 12 ng/ml zijn een aanwijzing voor een Fe-deficiëntie (ijzergebreksanemie). 

Een sterk verhoogde ferritineconcentratie kan een aanwijzing zijn voor een ijzerstapeling (hemosiderose). 

Verhoogde ferritine waarden worden onder andere waargenomen bij leverziekten, ziekte van Hodgkin en acute leukemie. 

De ferritineconcentraties bij leverbeschadiging, chronische infectie en bij sommige maligniteiten geven een vals beeld van de mate van ijzergebrek, aangezien door het ziekteproces grote hoeveelheden ferritine in de circulatie komen. 

De ferritineconcentratie in serum is sterk afhankelijk van leeftijd en geslacht. Bij neonaten stijgt de ferritineconcentratie in de eerste levensmaanden tot ca. 250 ng/ml en daalt daarna tot ongeveer 20 Ã  30 ng/ml op 1-jarige leeftijd. Daarna is er een geleidelijke stijging voor beide geslachten

Ingangsdatum:  Cobas 6000, electrochemiluminiscentie immunoassay sandwich principe. Zie SOP Cobas 6000 

Matrix:  Serum  

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 10 µL. 

Frequentie:  2x per week  

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

Fibrinogeen

Naam bepaling: Fibrinogeen 

Eenheid: mg/dl 

Referentiewaarden: 230 – 500 mg/dl 

Klinische betekenis:  

Fibrinogeen is de stollingsfactor met de hoogste plasmaconcentratie. Fibrinogeen 

wordt in de lever gemaakt. In de laatste stap van de stollingscascade wordt fibrinogeen 

door trombine omgezet in fibrine. Hierbij speelt factor XIII een belangrijke rol. 

Fibrinogeen is een acute-fase-eiwit en heeft een biologische halfwaardetijd van 

2-3 dagen. 

Verhoogde waarden zijn veelal aspecifiek. Fibrinogeen is verhoogd bij: 

–  zwangerschap  

–  neoplasmata, nefrose, reumatoïde artritis, diabetes mellitus.  

–  acute aandoeningen, ontstekingen, traumata en operaties.  

–  Obesitas 

Verlaagde waarden worden gevonden: 

–  bij leverfunctiestoornissen 

–  na bloedingen en in situaties met verhoogde afbraak; diffuse intravasale stolling (DIS), fibrinolyse. 

–  na fibrinolytische therapie 

–  bij erfelijke aandoeningen 

Ingangsdatum: 

STA Compact stollingsanalyser, electromagnetisch mechanische stolsel detectie. M.i.v. januari 2007. Zie SOP Bediening STA Compact ST001/STA 

STA Compact MAX stollingsanalyser, electromagnetisch mechanische stolsel detectie. M.i.v. 2015. Zie SOP Bedieningsvoorschrift STA Compact Max ST006/STAM 

Matrix:  Citraatbloed.  

Volume:  2 ml plasma (in buisjes van 5 ml)0.5 ml plasma (in microbuisjes)50 µl plasma wordt gebruikt voor de bepaling. 

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Foliumzuur

Naam bepaling: Foliumzuur 

Eenheid: ng/ml 

Referentiewaarden: 5.3 – 19.3 ng/ml 

Klinische betekenis:  

Folaat is in het lichaam nodig voor het normale metabolisme, DNA synthese en rode bloedcellen produktie. Folaat, dat afkomstig is van bladgroenten, is betrokken bij een aantal reacties waarbij overdracht van methylgroepen (of afgeleide vormen van methylgroepen) plaats vindt, zoals de synthese van thymidine, adenine en guanine (bouwstenen van DNA), de afbraak van histidine en de omzetting van homocysteïne naar methionine. Door deze laatste reactie zijn het metabolisme van vitamine B12 en folaat aan elkaar gekoppeld. Vitamine B12 heeft als functie trapping van biologisch actieve folaat in de cel. Gestoorde DNA synthese dat te zien is bij vitamine B12-deficiëntie is het gevolg van folaatgebrek in de cel. Folaat-deficiëntie treedt eerder op dan vitamine B12-deficiëntie. Deficiënties van folaat treden op bij een eenzijdige voeding, maag- en darmaandoeningen, alcoholisme, zwangerschap en bij maligne aandoeningen. 

Foluimzuurtekort kan een rol spelen bij aangeboren neuraalbuisdefecten. Inname van foliumzuur zou hierbij preventief kunnen werken. 

Verhoogde waarden van foliumzuur duiden meestal op een verhoogde inname van foliumzuur. 

Ingangsdatum:  Cobas C6000, electrochemiluminiscentie immunoassay competitieve principe. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum  

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 25 Âµl. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Follikelstimulerend hormoon (FSH)

Naam bepaling: Follikelstimulerend hormoon (FSH) 

Eenheid: mIU/ml 

Referentiewaarden: vrouw:foll. fase  3.5 -12.5 mIU/mlmid. cycl. 4.7 – 21.5 mIU/mllut. fase 1.7 – 7.7 mIU/mlmenopauze 25.8 – 134.8 mIU/mlman:  1.5 – 12.4 mIU/ml 

Klinische betekenis:

 

De hormonen LH en FSH worden in de hypofyse voorkwab geproduceerd en in het bloed afgescheiden o.i.v. het gonadotrofine releasing hormoon (GnRH) uit de hypothalamus. 

Deze twee gonadotrofine hormonen spelen een belangrijke rol in de regulatie van de werking van de geslachtsorganen zowel bij mannen als bij vrouwen. 

FSH bevordert de ontwikkeling en onderhoud van de geslachtsklierweefsels die de steroïde hormonen produceren en afscheiden. De steroïde hormonen reguleren de FSH concentratie in het bloed via een negatief feedback-systeem met de hypothalamus.  

FSH en LH zijn ook nodig voor de sexuele functie zowel bij mannen als vrouwen. 

FSH-functie bij een vrouw: het initieren van de groei en ontwikkeling van de eierstokken. Tijdens de ovulatie, in de corpus luteum-fase, worden estradiol en progesteron uit de follikels in het bloed afgescheiden, welke via een negatief feedback-systeem met de hypothalamus de FSH-concentratie op peil houden. In de menopauze neemt de functie van de eierstokken af, dus wordt ook minder estradiol afgescheiden, hierdoor neemt de negatieve feedback ook af, waardoor de FSH-spiegel omhoog gaat. 

FSH-functie bij een volwassen man: FSH speelt een rol bij de spermatogenese. De FSH-bloedspeigel wordt onderhouden door de concentraties van testosteron en estradiol via een negatief feedback-systeem met de hypothalamus. FSH gehalte is verhoogd bij aandoeningen van de testis. 

De bepaling dient ook om na te gaan hoe de status van de hypothalamus – hypofyse – gonaden lijn ligt. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, ECLIA; Sandwich principe. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 40 µl. 

Frequentie: 2 x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT 

Fosfaat

Naam bepaling: Fosfaat 

Eenheid: mmol/l 

Referentiewaarden: Volwassenen (> 17 jaar)Ondergrens 0.60 mmol/l (serum)Bovengrens 1.60 mmol/l (serum)Kinderen tot 1 jaar:Ondergrens 1.15 mmol/l (serum)Bovengrens 2.15 mmol/l (serum)Urine:Ondergrens 7 mmol/24u Bovengrens 22 mmol/24u 

Klinische betekenis:  

Fosfaat is belangrijk voor de opbouw van de botten en is verder als energierijke fosfaatverbindingen onmisbaar voor de energieoverdracht in de cellen. De fosfaatconcentratie wordt gereguleerd door een aantal systemen, die ieder nauw met elkaar verbonden zijn. Daarbij speelt de calcium homeostase een belangrijke rol.  Wanneer ergens in dit evenwicht iets mis gaat kan er een hypo- of hyperfosfatemie ontstaan. Hypofosfatemie komt voor bij malabsorptie, ondervoeding, vitamine-D gebrek, bij een proximaal tubulus defect en bij hyperparathyreoïdie. Verhoogde fosfaatconcentraties kunnen optreden bij overmatige inname van vitamine-D, hypoparathyreoidie en botmetastases. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, spectrofotometrisch, zonder reductie, automatisch, discreet. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum, urine. 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 2.5 Âµl. 

Frequentie:  Dagelijks  

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

FPSA ( Vrij PSA )

Naam bepaling: FPSA ( Vrij PSA ) 

Eenheid: ng/ml 

Referentiewaarden: geen 

Klinische betekenis:  

In het bloed komt PSA voor gebonden aan macroglobulinen (deze vorm is niet detecteerbaar met immunoasays), in vrije vorm of gebonden aan α-antichymotrypsine (ACT).  

De som van vrij en gebonden PSA wordt totaal PSA genoemd.  

FPSA is de vrije vorm van PSA. De FPSA bepaling wordt samen met totaal PSA gebruikt om de FPSA/PSA ratio te bepalen. De vrij/totaal ratio is de verhouding van vrij PSA/{vrij PSA + PSA-ACT complex}. De uitslag van de ratio samen met de totaal PSA kan helpen om een onderscheid te maken tussen een geval van prostaat carcinoom en een goedaardige prostaat hyperplasie bij oudere mannen (> 50 jaar). 

De V/T ratio kan een indicatie zijn voor de kans dat een maligniteit aanwezig is. Hoe lager de V/T ratio hoe hoger de kans. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, electrochemiluminiscentie immunoassay sandwich principe. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum  

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 20 Âµl. 

Frequentie:  Dagelijks  

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Fx5 (Voedselmix)

Naam bepaling: Fx5 (Voedselmix) 

Eenheid: Semi-kwantitatief (-; +) 

Referentiewaarden: Negatief (< 0.35  kUA/L) 

Klinische betekenis:  

De Fx5 allergie test wordt gebruikt voor het screenen op voedselallergie. Voedselovergevoeligheid kan ingedeeld worden in allergische voedselovergevoeligheid (voedselallergie) en niet allergische voedselovergevoeligheid (intolerantie).Voedselallergie is een abnormale reactie van het afweersysteem waarbij in het lichaam specifieke afweerstoffen tegen bepaalde allergenen in het voedsel gemaakt worden. 

De afweerstoffen die gevormd worden zijn immunoglobulinen van het type E (IgE). 

De Fx5 ImmunoCAP is een voedselscreeningsmengsel voor IgE antistoffen in bloed. Fx5 bevat drie allergenen van dierlijke oorsprong (f1 = eiwit, f2 = melk, en f3 = vis) en drie allergenen van plantaardige oorsprong (f4 = tarwe, f13 = pinda en f14 = soja ). Bij een positieve screening wordt verder getest op elk specifiek antigeen. Aanwezigheid van IgE antistoffen in het bloed wordt sensibilisatie genoemd. De Fx5 test is van toepassing bij de diagnostiek van IgE-gemedieerde voedselallergieën. 

Ingangsdatum: 

ImmunoCAP/Phadia 100;  ELIA technologie. 

Zie SOP ImmunoCAP/Phadia 100 

Matrix:  Serum 

Volume:  Minimaal 2 ml. 

Frequentie:  2x per week.  

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

FT4 ( Vrij Thyroxin )

Naam bepaling: FT4 ( Vrij Thyroxin ) 

Eenheid: ng/dl 

Referentiewaarden: 0.93 – 1.7 ng/dl 

Klinische betekenis:  

Het FT4 II reagens van Roche wordt geïntroduceerd als vervanger van het FT4 reagens.  

Het hormoon thyroxine (3,3,5,5-L-tetrajoodthyronine) is het eindresultaat van een complexe hormoonsynthese in de schildklier. De hoeveelheden T3 en T4, die aan het plasma worden vrijgegeven, verhouden zich ongeveer als 1:20. Een groot deel van het vrijgekomen T4 wordt perifeer (lever, nier) gedejodeerd tot T3 (circa 80% van het totale T3). Dit hormoon is het belangrijkste biologisch actieve schildklierhormoon. 

Centrale regulering heeft plaats op het niveau van hypothalamus: TRH stimuleert TSH-productie én hypofyse-TSH-afgifte. In de hypofyse wordt de TSH-productie geremd door T3, dat ter plaatse uit T4 wordt gevormd. 

In het serum is T4 voor ongeveer 99,98% gebonden aan dragereiwitten, namelijk voor circa 75% aan thyroxinebindend globuline (TBG) en de rest ongeveer gelijk verdeeld over thyroxinebindend prealbumine(TBPA) en albumine. Slechts 0,02% van T4 is als vrij FT4 in circulatie. Niettemin is het juist FT4, dat een directe maat is voor de functie van de schildklier. De hoeveelheid totaal aanwezig T4 (TT4) is meer dan een maat voor de hormoonreserve van de schildklier, omdat T4 de precursor is voor het biologisch veel actievere, maar korter levende T3. 

Een verhoogde FT4 en/of TT4-concentratie wordt gezien bij: 

• klinische hyperthyreoïdie; bij een milde vorm van hyperthyreoïdie of T3-thyrotoxicose is alleen T3verhoogd, FT4 en/of TT4 is normaal 

• bij een subklinische hyperthyreoïdie zijn zowel T3 als FT4 en/of TT4 normaal, maar TSH verlaagd. 

Een verlaagde FT4 en/of TT4-concentratie wordt aangetroffen bij: 

• primaire of centrale hypothyreoïdie; bij een milde hypothyreoïdie is meestal slechts FT4 en/of TT4verlaagd, T3 normaal; bij een subklinische hypothyreoïdie zijn zowel T3 als FT4 en/of TT4 normaal, echter de TSH is verhoogd                                                                                 • toediening van T3 

• ten gevolge van ernstige ziekte (NTI). 

Als stroomdiagram voor de diagnostiek van hypo- en hyperfunctie wordt tegenwoordig de voorkeur gegeven aan een eerste onderzoek met TSH (gevolgd door FT4  bij afwijkende TSH). 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, electrochemiluminiscentie immunoassay competitieve principe. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum. 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 15 µL 

Frequentie:  Dagelijks  

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

FT3 ( FREE Triiodothyronine )

Naam bepaling: FT3  ( FREE Triiodothyronine ) 

Eenheid: pg/ml 

Referentiewaarden: 2.2 – 4.2 pg/ml 

Klinische betekenis:  

Triiodothyronine (T3) is een van de twee belangrijkste hormonen die door de schildklier wordt geproduceerd. Het andere hormoon is thyroxine (T4). De productie bestaat voor 90% uit T4 (dat wordt opgeslagen) en slechts 10% is T3. T4 is vergeleken met T3 relatief inactief, maar kan in de lever en in andere weefsels worden omgezet in het veel actievere T3. In het bloed is een heel klein percentage (circa 0,3%) T3 aanwezig als vrij hormoon (FT3). Het overgrote deel is gebonden aan eiwitten.  

Het lichaam heeft een terugkoppelingssysteem dat de productie van schildklierhormoon kan aan- of uitzetten. Zodra de concentratie schildklierhormoon (T4 of T3) in het bloed daalt, wordt er door de hypofyse (een hormoonproducerend orgaan onderaan de hersenen) thyroïd stimulerend hormoon (TSH) geproduceerd, dat de schildklier aanzet tot de productie en/of afgifte van opgeslagen T4. T4 wordt vervolgens in de lever en andere weefsels omgezet tot het meer werkzame T3. Als de concentratie schildklierhormoon in bloed weer stijgt dan daalt de TSH productie van de hypofyse weer. Er is dus sprake van een terugkoppelingsmechanisme van schildklierhormoon (met name T3) op de hypofysaire TSH productie. 

Het meten van T3 in plaats van of naast FT4 (vrij T4) of totaal T4 kan soms extra informatie over het functioneren van de schildklier bieden. 

Ingangsdatum: 

LIAISON Classic analyser, Solid Phase Antigen Linked Technique (SPALT) Zie SOP LIAISON Classic SC035/LIA 

LIAISON XL analyser, Solid Phase Antigen Linked Technique (SPALT) Zie SOP LIAISON XL SC052/LIAXL 

Matrix:  Serum 

Volume:  200 µl (50 µl serum + 150 µl doodvolume) 

Frequentie:  2x per week  

Voorbereiding:  NULL

Afnamecondities:  NULL

Transportcondities:  NULL

 

Fructosamine

Naam bepaling: Fructosamine 

Eenheid: µmol/l 

Referentiewaarden: Ondergrens 205 µmol/l Bovengrens 285 µmol/l 

Klinische betekenis:  

Fructosamine is een geglycoliseerde serumeiwit dat ontstaat door de binding van glucose aan albumine en andere eiwitten. De hoeveelheid fructosamine in het bloed is afhankelijk van de glucose concentratie. Naarmate het glucosegehalte stijgt wordt meer fructosamine gevormd. 

De concentratie fructosamine is indicatief voor de gemiddelde glucose gehalte over de voorafgaande 2 tot 3 weken. 

Fructosamine is een parameter voor de evaluatie van diabetes controle. 

Een trend van een normale naar hoge fructosamine concentratie betekent dat de diabetes controle niet adequaat is. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Colorimetrisch Nitroblue tetrazolium.  Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 6 µl. 

Frequentie:  Dagelijks  

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Section

I am text block. Click edit button to change this text. Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.

G-6-PD

Naam bepaling: G-6-PD 

Eenheid: Kwalitatief 

Referentiewaarden: Normaal 

Klinische betekenis:  

G-6-PD katalyseert de belangrijkste reactie in de hexosemonofosfaatshunt, een zijtak van glucose afbraak, waarin NADPH gevormd wordt. Deze reducerende verbinding is nodig bij de gluthationcyclus, die van vitaal belang is voor de erytrocyt als verdediging tegen oxidatieve stress. 

De oorzaak van sommige medicatie-geïnduceerde hemolytische anemieën is G-6-PD deficiëntie in de rode bloed cellen. De meeste personen met een G-6-PD deficiëntie zijn klinisch gezond totdat zij in contact komen met een oxidatief geneesmiddel zoals bv anti-malaria middelen of bepaalde voedingsmiddelen zoals tuinbonen. Deze personen vertonen in die gevallen een ernstige vorm van hemolytische anemie. 

De G-6-PD test wordt toegepast bij: 

– diagnostiek van chronische niet-sferocytaire hemolytische anemie. 

– onderzoek van met geneesmiddel gebruik geassocieerde hemolytische episoden. 

– diagnostiek van infectiegeïnduceerde hemolyse. 

– verdenking van favisme (hemolyse na het eten van tuinbonen). 

– differentiële diagnostiek van neonatale icterus. 

Ingangsdatum:  

Bij de G-6-PD bepaling wordt gebruik gemaakt van de fluorescerende spottest van Beutler waarbij een kleine hoeveelheid bloed geïncubeerd wordt met glucose-6-fosfaat en NADP. Druppels van het mengsel worden na incubatie, met intervallen van 5 minuten, op een filtreerpapier gebracht en worden na het drogen bekeken onder een ultra violet lamp. Bij deficiëntie zal er weinig of geen fluorescentie zichtbaar zijn. 

 Bij de G-6-PD bepaling vindt de volgende reactie plaats:        

  • G6PHD
  • G-6-Fosfaat  +  NADP
  • 6-Fosfogluconaat + NADPH
  • Niet fluorescerend
  • Fluorescerend 

Matrix:  Via een goede venapunctie (zie SOP Bloedafname PA006/BL ) wordt het bloed opgevangen in een EDTA buis. 

Volume:  10 µl bloed 

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Glucose

Naam bepaling: Glucose 

Eenheid: mg/dl 

Referentiewaarden: Leeftijdafhankelijk!Kinderen ≤ 18 jaar: Zie Referentiewaarden bij kinderen KC041/RWK Volwassenen: Nuchter: Ondergrens 65 mg/dl (serum)  Bovengrens 110 mg/dl (serum) Impaired: 110 – 126 mg/dlD.M.: >126 mg/dl 

Klinische betekenis:  

De verbranding van glucose is de belangrijkste energiebron voor alle cellulaire processen. Glucose kan als zodanig uit het voedsel worden opgenomen of ontstaan na splitsing van de in het voedsel aanwezige di- en polysacchariden tot monosacchariden zoals glucose, galactose en fructose. Alle monosacchariden worden voornamelijk in de lever maar ook in de spieren, grotendeels omgezet in glycogeen, waardoor ze tijdelijk aan de circulatie en stofwisseling worden onttrokken. Het vermogen van de lever om aangevoerde monosacchariden vast te leggen als hoogmoleculair glycogeen is zeer groot. Wanneer de totale calorische opname het dagelijks gebruik overtreft, wordt de overmaat aan koolhydraten omgezet in vetten en opgeslagen in het vetweefsel. De glycogeenvoorraad wordt al naar de behoefte van het lichaam weer omgezet in glucose. De regeling van de glucoseconcentratie in het bloed is een zeer gecompliceerd proces, waarbij vooral insuline een belangrijke rol speelt. Dit door de pancreas geproduceerde hormoon bepaalt onder meer of glucose door de celwand van de diverse cellen in het lichaam heen kan. Bij een tekort aan werkzaam insuline wordt glucose in het bloed opgehoopt, terwijl de cellen gebrek aan glucose krijgen en er tevens geen glycogeen wordt gevormd. Ook hormonen als glucagon, catecholaminen, cortisol en groeihormoon  beïnvloeden glucoseproduktie en verbruik. Bij diabetes mellitus is er sprake van een verhoogd gehalte aan glucose in het bloed, veroorzaakt door of een absoluut of een relatief tekort aan insuline

Ingangsdatum:  Cobas 6000, enzymatisch- hexokinase, automatisch, discreet. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 2 ÂµL 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Gx2 (grasmix)

Naam bepaling: Gx2 (grasmix) 

Eenheid: kUA/L 

Referentiewaarden: Negatief: < 0.35 kUA/L Positief: Klasse                   Concentratie (kUA/L) 1                                 0.36 – 0.70 2                                0.71 – 3.50 3                                3.51 -17.5 4 

Klinische betekenis:  

Bij een positieve uitslag van de Phadiatop (inhalatiemix) wordt verder getest op o.a. 

gx2, een mengsel van de specifieke IgE grasallergenen: g2 (Bermuda grass),  

g5 (Rye-grass), g6 (Tymothy grass), g8 (Meadow grass), g10 (Johnson grass) en g17 (Bahia grass). Een positieve gx2 duidt op grasallergie (pollenallergie). Deze grassoorten groeien in het wild op akkers en bermen. Zaden van sommige grassoorten worden gebruikt voor consumptie terwijl de stro gebruikt wordt in de industrie. De allergenen in stuifmeel van de verschillende grassoorten worden door contact of via de lucht verspreid. Klachten bij grasallergie of pollenallergie uiten zich vaak in de vorm van verkoudheidsverschijnselen zoals niezen, een loopneus, tranende, jeukende en rode ogen. Grasallergie veroorzaakt allergische hooikoorts, astma en allergische oogbindvlies ontsteking.

Ingangsdatum: 

ImmunoCAP/Phadia 100;  ELIA technologie. 

Zie SOP ImmunoCAP/Phadia 100 

Matrix:  Serum 

Volume:  Minimaal 2 ml. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

H.PyloriSA (Helicobacter antigeen in feces)

Naam bepaling: H.PyloriSA (Helicobacter antigeen in feces) 

Eenheid: index 

Referentiewaarden: Negatief: Index <0.90 Equivocal: Index »0.90 – < 1.10Positief: Index ≧ 1.10Herhaal een verdacht resultaat door opnieuw een deel van het monster te bewerken. Indien <0.90 als negatief rapporteren, indien >1.10 als positief rapporteren en indien wede 

Klinische betekenis:  

Helicobacter pylori is een gekromd gramnegatieve staaf van ongeveer 2.5 tot 3 mm, dat voorkomt in de slijmvliezen van de maag en het twaalfvingerige darm. Kenmerkend van Helicobacter pylori is de sterke ureaseproductie, die het voor de bacterie mogelijk maakt om in de zure maag omgeving te overleven. De Helicobacter pylori besmettingsgraad varieert met de sociaaleconomische omstandigheden. De prevalentie bedraagt in de westerse wereld 30-50%, en tot 90% in de ontwikkelingslanden. Een Helicobacter pylori infectie verloopt in de meeste gevallen klachteloos. Bij een kleine groep leidt een infectie met de Helicobacter pylori bacterie echter tot een ontstekingsreactie met acute of chronische gastritis als gevolg. Deze groep vertoont duidelijke ziekteverschijnselen zoals maagpijn, misselijkheid, pijn in de bovenbuik en een opgeblazen gevoel. Een Helicobacter pylori infectie vergroot sterk de kans op het ontstaan van maagzweren en zweren aan de twaalfvingerige darm. Daarnaast wordt een Helicobacter pylori infectie gezien als een risicofactor voor het ontwikkelen van maagkanker. De diagnose van een Helicobacter pylori infectie berust op het aantonen van specifieke antigenen in feces of het aantonen van IgA en IgG antilichamen gericht tegen de H. Pylori bacterie in serum. De antigeentest kan gebruikt worden bij de diagnose van een Helicobacter pylori infectie. Een positieve antigeentest is een indicatie voor een infectie met H. Pylori. Een infectie met de Helicobacter pylori bacterie is goed te behandelen met antibiotica. Na behandeling blijft de antigeentest in sommige gevallen geruime tijd (> 1 maand) positief. Een voordeel van de antigeentest is dat het gebruikt kan worden als therapiecontrole voor het bepalen van het resultaat van behandeling. Nadeel is echter dat voorbehandeling met antibiotica kan leiden tot fout-negatieve antigeenresultaten. 

Ingangsdatum: 

LIAISON Classic analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA) Zie SOP LIAISON Classic SC035/LIA 

LIAISON XL analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA) Zie SOP LIAISON XL SC052/LIAXL 

Matrix:  Feces 

Volume:  Fecesmonster ter grootte van dorperwten. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

HAV IgM

Naam bepaling: HAV IgM 

Eenheid: Index 

Referentiewaarden: Negatief: Index <0.9Equivocal: Index 0.9-1.1 Positief: Index ≧ 1.1Patiëntenmonsters die een twijfelachtige reactiviteit laten zien voor HAV IgM moeten in duplo herhaald worden om het initiële resultaat te confirmeren.Diagnose van infectieuze aand 

Klinische betekenis:  

De methode voor kwalitatieve determinatie van IgM anti-HAV is een chemische luminescentie antistofbepaling (CLIA). IgG anti humaan IgM (muis monoklonaal) wordt gebruikt voor coating van magnetische partikels (vaste fase) en een muis monoklonaal antistof tegen HAV is gebonden aan een isoluminol-antistof conjugaat. Tijdens de eerste incubatie binden IgM antistoffen aanwezig in calibratoren, monsters of controles aan de vaste fase. Gedurende de tweede incubatie reageert het antistof conjugaat met het toegevoegde HAV antigeen en het gevormde immuuncomplex reageert met het IgM wat gebonden is aan de vaste fase. Na elke incubatie wordt het ongebonden materiaal verwijderd tijdens een wasstap. Hierna wordt het starter reagens toegevoegd en een chemieluminescentie flits reactie wordt geïnduceerd. Het lichtsignaal en dus de hoeveelheid van het isoluminol-antistof conjugaat wordt gemeten door een fotomultiplicator als relative light units (RLU) en is een indicatie van IGM anti-HAV aanwezig in calibratoren, monsters of controles. 

 

 

Hepatitis is een ontstekingsziekte van de lever en kan het orgaan ernstig beschadigen. De ziekte kan veroorzaakt worden door een niet infectieuze oorzaak of van infectieuzevirale en bacteriële middelen. 

Het hepatitis A virus is een Heparnavirus van de Picornaviridae familie, voor het eerst geïdentificeerd in faeces en lever preparaten door immuno-electronen microscopie. Het virion is een 28 nm sferisch, kubisch symmetrisch partikel met een enkelstrengs RNA genoom bestaande uit 7.48 kbases. Het virale capside bestaat uit 32 capsomeren in een icosahedrale vorm. 

Het capside antigeen partikel bestaat uit 4 polypeptiden gesplitst uit het grote voorloper eiwit met een moleculair gewicht tussen van 7.000 tot 33.000 Dalton. Door zijn structuur is HAV een heel stabiel virus, bestand tegen substantiële hitte en droge omstandigheden. Zoals andere Picornavirussen heeft HAV geen virus envelop of polymerase en repliceert in het gastheercel cytoplasma. Tot nu toe behoorden alle humane geïdentificeerde HAV isolaten tot een enkel serotype. Er is geen antigeen kruisreactie met andere hepatitis virussen. 

Hepatitis A is endemisch wereldwijd, hoewel meest voorkomend in gebieden met slechte hygiëne en lage sociaal-economische condities. Het virus wordt verspreid via de fecaal-orale route door dichtbij persoon-tot-persoon contact en door voedsel en water veroorzaakte epidemieën. Outbreaks komen regelmatig voor in situaties waar veel mensen samen zijn en in dichtbevolkte instellingen en centra, zoals gevangenissen en zorginstellingen of dagverzorging centra. Virale verspreiding door parenteraal contact (met bloed of orofaryngeale afscheidingen) is mogelijk, maar komt zelden voor, omdat geïnfecteerde individuen viremisch zijn gedurende een korte periode (meestal minder dan 3 weken). Er is weinig tot geen bewijs van een transplacentale HAV besmetting van moeder naar foetus, evenmin van pasgeborenen die een HAV besmetting oplopen gedurende de geboorte. 

De incubatieperiode voor hepatitis A is gemiddeld 30 dagen (range: 15-50 dagen). Voorkomende symptomen zijn malaise, vermindering van eetlust, misselijkheid en geelzucht. De meestal milde en subklinische symptomen verdwijnen binnen twee tot vier weken van het begin. Complete genezing vindt plaats, zonder chronische gevolgen en heeft lange termijn (meestal levenslange) immuniteit als gevolg. 

Hoewel de ziekte meestal een mild verloop heeft bij jonge kinderen, neemt de ernst toe met de leeftijd. Een klein percentage van HAV geïnfecteerde patiënten (minder dan 1%) overlijdt aan fulminante hepatitis A, gekarakteriseerd door een snel begin van de symptomen, resulterend in een comateuze staat en overlijden binnen ongeveer 10 dagen. Uit autopsie blijkt omvangrijke necrose van de lever. Er is geen chronisch dragerschap geassocieerd met een HAV infectie, anders dan bij HBV, HCV en HDV infecties. 

Het hepatitis A antigeen is aanwezig in ontlasting ongeveer één tot twee weken voor het begin van de klinische symptomen en ongeveer één week na afloop. Nadat het HAV antigeen niet langer detecteerbaar is in ontlasting, worden in het serum antistoffen tegen het HAV-antigeen (anti-HAV) zijn gevonden welke langdurig persisteren, en zorgen voor een levenslange immuniteit tegen een HAV herinfectie. Testen voor totaal antistoffen (anti-HAV) of specifieke IgM antistoffen (IgM anti-HAV) bevestigt de diagnose van HAV infectie in serum. Serologische diagnose van acute virale hepatitis A is afhankelijk van de detectie van IgM antistoffen, indien deze aantoonbaar zijn is dit aanwijzing voor een recente blootstelling aan het Hepatitis A virus. IgM antistoffen anti-HAV komen enkele dagen na infectie op, behalen snel een piek en persisteren in verhoogde titers in het bloed gedurende ongeveer twee maanden, voordat ze dalen tijdens het herstel. Gevoelige antistofbepalingen kunnen af en toe IgM detecteren tot ongeveer een jaar na acute hepatitis

Ingangsdatum:  LIAISON XL analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA) Zie SOP LIAISON XL SC052/LIAXL 

Matrix:  Serum of plasma. 

Volume:  170 µl (20 µl materiaal + 150 µl dood volume). 

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NULL 

Afnamecondities:  NULL 

Transportcondities:  NULL 

 

HB Variant ULTRA

Naam bepaling: HB Variant ULTRA 

Eenheid: % 

Referentiewaarden: HbA0:  0 – 3 mnd:           15.0 – 60.0 %4 – 6 mnd:           60.0 – 92.0 %7 mnd – 1 jaar:    > 92.0 %> 1 jaar:                > 96.0 % HbA2:  0 – 1 maand:        < 1.0 %2 – 3 mnd:            < 2.3 %4 – 6 mnd:            < 2.5 %7 

Klinische betekenis:  

Hemoglobine (Hb) molekulen worden in rode bloedcellen gesynthetiseerd en zijn verantwoordelijk voor het transport van zuurstof vanuit de longen naar de rest van het lichaam. Het hemoglobinemolekuul is opgebouwd uit vier peptideketens (twee aan twee gelijk), die aangeduid worden met de letters α, β, γ, en δ. Elk peptideketen bevat een heamgroep en een Fe(II)-ion. Hemoglobine komt in verschillende vormen voor o.a. HbA0, HbA2, en HbF. HbA0 is opgebouwd uit 2 α– en 2 β–ketens (α2,β2) en is de meest voorkomende hemoglobine vorm in volwassen. HbA2 molekulen zijn opgebouwd uit 2 α– en 2 δ-ketens (α2,δ2). HbF (α2,γ2) overheerst in neonaten, maar daalt gedurende het eerste levensjaar geleidelijk door de aanmaak van β-ketens i.p.v. γ-ketens. Genetische mutaties, fusies, of deleties leiden tot het ontstaan van hemoglobine varianten zoals HbS, HbC, HbE, HbH, en HPFH (hoge persistentie van foetaal hemoglobine) of combinaties hiervan, die betrokken zijn bij de ontwikkeling van hemoglobinopathiëen en thalassemiëen. (Zie voor meerdere hemoglobine varianten bijlage 1). 

Hemoglobinopathiëen zijn erfelijke vormen, veroorzaakt door afwijkingen in het hemoglobine molekuul als gevolg van veranderingen in de aminozuursamenstelling van peptideketens. Thalassemiëen zijn erfelijke stoornissen die gekarakteriseerd worden door verminderd productie van één specifieke hemoglobine keten. 

Ingangsdatum: 

Ultra2, HPLC en ion-exchange chromatografie 

Zie SOP Ultra2 Analyzer. 

Matrix:  Volbloed 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 20 ÂµL 

Frequentie:  2x per week (maandag en woensdag) 

Voorbereiding:  NULL

Afnamecondities:  NULL

Transportcondities:  NULL

 

HB Variant op de TOSOH

Naam bepaling: HB Variant op de TOSOH 

Eenheid: % 

Referentiewaarden: HbF          <2.0 %HbA2 1.5 – 3.5 % 

Klinische betekenis:  Hemoglobine (Hb) molekulen worden in de rode bloedcellen gesynthetiseerd en zijn verantwoordelijk voor het transport van zuurstof vanuit de longen naar de rest van het lichaam. Het hemoglobine molekuul is opgebouwd uit vier peptideketens (twee aan twee gelijk), die elk een heamgroep en een Fe(II)-ion bevatten. De peptideketens zijn producten van structuurgenen en worden aangeduid met de letters α, β, γ, of δ. Glucose molekulen kunnen aan de N-terminus van β-ketens binden (glycosylering), en leiden tot het ontstaan van geglyceerde hemoglobinen. HbA2 bij volwassenen ligt meestal < 3.0% en is verhoogd > 3.5 % bij een beta –thalassemie. Bij HbF ligt de deze bij 1.5 % maar is verhoogd bij Hereditaire Persitent foetal hemoglobine (HPFH). 

Ingangsdatum: 

Tosoh G8, HPLC en Ion-exchange chromatografie. 

Zie SOP Tosoh G8 HPLC Analyzer Beta-thalassemia SC071/TSBT. 

Matrix:  Volbloed 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster is 1 ml volbloed van uit EDTA buis.De hoeveelheid monster indien verdund is 10 μl volbloed 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

HbA1c

Naam bepaling: HbA1c 

Eenheid: %; mmol/mol 

Referentiewaarden: 4.0 – 6.0 % 

Klinische betekenis:  

Hemoglobine (Hb) molekulen worden in de rode bloedcellen gesynthetiseerd en zijn verantwoordelijk voor het transport van zuurstof vanuit de longen naar de rest van het lichaam. Het hemoglobine molekuul is opgebouwd uit vier peptideketens (twee aan twee gelijk), die elk een heamgroep en een Fe(II)-ion bevatten. De peptideketens zijn producten van structuurgenen en worden aangeduid met de letters α, β, γ, of δ. Glucose molekulen kunnen aan de N-terminus van β-ketens binden (glycosylering), en leiden tot het ontstaan van geglyceerde hemoglobinen. HbA1c is de belangrijkste geglyceerde hemoglobine. De HbA1c concentratie is een afspiegeling van de gemiddelde glucoseconcentratie over de voorafgaande 6-8 weken. De HbA1c concentratie stijgt tijdens de levensduur van rode bloedcellen en bij hoge glucoseconcentraties zoals bij diabetes patiënten. De HbA1c concentratie wordt ook gebruikt als parameter voor de therapietrouw van patiënten en de effectiviteit van de behandeling 

Ingangsdatum: 

Tosoh G8, HPLC en Ion-exchange chromatografie. 

Zie SOP Tosoh G8 HPLC Analyser SC047/TOG8

Matrix:  Volbloed 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster is 1 ml volbloed van uit EDTA buis.De hoeveelheid monster indien verdund is 5 μl volbloed 

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

HBeAg

Naam bepaling: HBeAg 

Eenheid: PEI U/mL 

Referentiewaarden: Negatief: <0.09 PEI U/mLEquivocal: 0.09-0.11 PEI U/mL Positief: ≧ 0.11 PEI U/mLPatiëntenmonsters die een twijfelachtige reactiviteit laten zien voor HBeAg moeten in duplo herhaald worden om het initiële resultaat te confirmeren. Diagnose van infecties 

Klinische betekenis:  

De methode voor kwantitatieve determinatie van HBeAg is een directe sandwich chemische luminescentie antistofbepaling (CLIA). Antistoffen tegen HBeAg (muis monoklonaal) worden gebruikt voor coating van magnetische partikels (vaste fase) en zijn gebonden aan een isoluminol derivative (isoluminol-antistof conjugaat). Tijdens de incubatie, reageert het antistof conjugaat met HBeAg wat aanwezig is in de calibratoren, monsters en controles en zal dus binden aan de vaste fase en vormt een sandwich. Na incubatie wordt het ongebonden materiaal verwijderd tijdens een wasstap. Hierna wordt het starter reagens toegevoegd en een chemieluminescentie flits reactie wordt geïnduceerd. Het lichtsignaal en dus de hoeveelheid van het isoluminol-antistof conjugaat wordt gemeten door een fotomultiplicator als relative light units (RLU) en is een indicatie van HBeAg aanwezig in calibratoren, monsters of controles. 

Ingangsdatum:  LIAISON XL analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA) Zie SOP LIAISON XL SC052/LIAXL 

Matrix:  Serum of plasma. 

Volume:  240 µl (90 µl materiaal + 150 µl dood volume). 

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NULL

Afnamecondities:  NULL

Transportcondities:  NULL

 

HBsAg

Naam bepaling: HBsAg 

Eenheid: Cutoff index (COI) 

Referentiewaarden: Cutoff index < 0.90 

Klinische betekenis:  

Hepatitis B-virus (HBV) is een hepa-DNA-virus dat via onbeschermd seksueel contact en bloedcontact wordt verspreid. Infectie met hepatitis-B-virus kan tijdelijk zijn (spontaan genezend), maar kan ook chronisch verlopen. Er is sprake van de ziekte ‘hepatitis B’ als de recente of chronische HBV-infectie tot symptomen leidt. De diagnostiek van HBV-infectie berust op het aantonen van het virale manteleiwit HBsAg. HBsAg is de eerste immunologische merker en is meestal aanwezig enkele dagen of weken voordat klinische symptomen beginnen te verschijnen. De HBsAg bepaling worden gebruikt in het kader van de diagnostiek voor het identificeren van personen besmet met HBV en om de overdracht van het hepatitis B virus via bloed en bloedproducten te voorkomen. Ook wordt de HBsAg test gebruikt voor het monitoren van het verloop van de ziekte in personen met acute en chronische HBV infecties en indien nodig als controle van de effectiviteit van een antivirale therapie. HBsAg testen worden ook aanbevolen als onderdeel van prenatale zorg ten einde voor zover mogelijk de overdracht van een HBV infectie op de pasgeborene te voorkomen. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, electrochemiluminiscentie, sandwich principe. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 50 µL. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

HBsAg Confirmatie

Naam bepaling: HBsAg Confirmatie 

Eenheid: Kwalitatieve bepaling 

Referentiewaarden: negatief 

Klinische betekenis:  Diagnostiek van hepatitis B (HBV) infectie berust op het aantonen van het virale manteleiwit (HBsAg). HBV-infectie is chronisch als HBsAg minstens zes maanden aanwezig is (HBsAg = positief). De HBsAg confirmatie test is een immunoassay voor in vitro confirmatie van de aanwezigheid van HBsAg in serum die een positieve waarde hebben met de Elecsys HBsAg of Elecsys HBsAg II test. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000. De methode is gebaseerd op een voorbehandeling van de monsters met het ‘Confirmatory reagent’ (zwarte dop) en het ‘Control reagent’ (witte dop) gevolgd door de bepaling met Elecsys HBsAg of Elecsys HBsAg II; electrochemiluminiscentie, sandwich principe. Zie analyseblad Hepatitis B surface antigeen VI002/HBsAg en SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum met dubieuze of positieve HBsAg waarde. 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 50 ÂµL. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Helicobacter P IgG

Naam bepaling: Helicobacter P IgG 

Eenheid: U/ml 

Referentiewaarden: Negatief 

Klinische betekenis:  

Helicobacter pylori is een gekromd gramnegatieve staaf van ongeveer 2.5 tot 3 mm, dat voorkomt in de slijmvliezen van de maag en de twaalfvingerige darm. Kenmerkend van Helicobacter pylori is de sterke ureaseproductie, die het voor de bacterie mogelijk maakt om in de zure maag omgeving te overleven. De Helicobacter pylori besmettingsgraad varieert met de socioconomische omstandigheden. De prevalentie bedraagt in de westerse wereld 30-50%, en tot 90% in de ontwikkelingslanden. Een Helicobacter pylori infectie verloopt in de meeste gevallen klachtenloos. Bij een kleine groep leidt een infectie met de Helicobacter pylori bacterie echter tot een ontstekingsreactie met acute of chronische gastritis als gevolg. Deze groep vertoont duidelijke ziekteverschijnselen zoals maagpijn, misselijkheid, pijn in de bovenbuik en een opgeblazen gevoel. Een Helicobacter pylori infectie vergroot sterk de kans op het ontstaan van maagzweren en zweren aan de twaalfvingerige darm. Daarnaast wordt een Helicobacter pylori infectie gezien als een risicofactor voor het ontwikkelen van maagkanker. De NHG-Standaard Maagklachten adviseert om diagnostiek naar Helicobacter pylori te verrichten bij persisterende of recidiverende maagklachten die niet passen bij refluxziekte en waarbij tevens een verhoogd risico op ulcuslijden bestaat. De diagnose van een Helicobacter pylori infectie berust op het aantonen van specifieke IgG antilichamen tegen de Helicobacter pylori bacterie in serum of het aantonen van antigenen in feces. Serologie is geschikt als screeningstest voor de diagnostiek bij onbehandelde patiënten, maar de feces antigeentest verdiend de voorkeur. De gevoeligheid en specificiteit van serologische testen variëren van 80% tot meer dan 95%. Een infectie met de Helicobacter pylori bacterie is goed te behandelen met antibiotica. Serologie is als therapiecontrole beperkt bruikbaar, aangezien antilichamen tegen de Helicobacter pylori bacterie langzaam in aantalen afnemen na behandeling. Therapie resultaat kan m.b.v. de feces antigeentest bepaald worden. Een succesvolle behandeling leidt geleidelijk tot normaal antilichaam titer binnen 6 tot 12 maanden. 

Ingangsdatum:  

Enzyme-Linked ImmunoSorbent Assay, ook wel ELISA genoemd, is een biochemisch techniek dat gebruikt wordt voor het opsporen van antilichamen in lichaamsvloeistoffen zoals serum of feces. ELISA techniek is gebaseerd op de vorming van specifieke bindingen tussen antilichamen en antigenen. Voor deze methode wordt er gebruik gemaakt van 96-putjes microtiter platen, waarvan de oppervlakte van elk putje gefixeerd is met een onbekend hoeveelheid antigeen. Een bepaalde hoeveelheid serum wordt aan de putjes toegevoegd. Specifieke antilichamen in het serum, vormen een antilichaam-antigeen complex met de gefixeerde antigenen. Alle niet gebonden antilichamen worden weggewassen. Vervolgens wordt er een specifieke anti-humane antilichaam toegevoegd, die chemisch gebonden is aan het enzym peroxidase. Het anti-humane antilichaam herkent en bindt aan het antilichaam-antigeen complex. Als laatste wordt een substraat toegevoegd die door het enzym peroxidase omgezet kan worden in een kleurstof. De hoeveelheid kleurstof kan gemeten worden en is een mate voor de hoeveelheid antilichamen in het serum. 

Matrix:  Serum afgenomen d.m.v. venapunctie 

Volume:  Minimaal 1 ml. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

HCV AB

Naam bepaling: HCV AB 

Eenheid: Index 

Referentiewaarden: Negatief: Index <1.00 Positief: Index ≧ 1.00Patiëntenmonsters die positieve reactiviteit laten zien voor HCV Ab moeten herhaald worden. Indien positieve reactiviteit bij herhaling, is de aanwezigheid van HCV antistoffen zeer waarschijnlijk. Echter, 

Klinische betekenis:  

De Liaison XL murex HCV Ab test maakt gebruik van chemische luminescentie antistofbepaling (CLIA) technologie voor de kwalitatieve determinatie van specifieke antistoffen tegen Hepatitis C virus (anti-HCV) in humaan serum of plasma monsters. De test kan enkel op de Liaison XL worden uitgevoerd. 

 

Hepatitis C virus (HCV) was geïdentificeerd in 1988 als de voornaamste veroorzaker van non-A, non-B (NANB) hepatitis bij 80-90% van de post-transfusie gevallen van hepatitis. HCV is een enkel-strengs positive sense (5’-3’) RNA virus die wereldwijd voorkomt. 

Patiënten geïnfecteerd met HCV kunnen in het begin een milde of zelfs een a-symptomatische acute fase van de ziekte vertonen; hoewel, meer dan 80% van de individuen die geïnfecteerd zijn ontwikkelen een chronische hepatitis en kunnen uiteindelijk lever cirrose en een verhoogd risico op hepatocellulair carcinoom verkrijgen. 

HCV wordt overgedragen in eerste instantie door parenterale routes zoals bloed-transfusie, haemodialyse en intraveneus drugsgebruik. 

HCV antistoffen zijn niet slechts gevonden in patiënten met acute of chronische vormen van hepatitis C, maar ook in vele a-symptomatische donoren na seroconversie van de ontvanger. 

De screening op HCV antistoffen is gericht op terugdringen van het risico op transmissie van de HCV infectie, hoewel de aanwezigheid van de HCV antistoffen geen diagnose is van hepatitis C. Deze antistofbepaling maakt gebruik van HCV polypeptiden die in staat zijn om antistoffen gericht tegen HCV te detecteren. De polypeptiden corresponderen aan hoog antigene determinanten van zowel structurele als non-structurele gebieden van HCV.

Ingangsdatum:  LIAISON XL analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA) Zie SOP LIAISON XL SC052/LIAXL 

Matrix:  Serum of plasma. 

Volume:  175 µl (25 µl materiaal + 150 µl dood volume). 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NULL

Afnamecondities:  NULL

Transportcondities:  NULL

 

Hematocriet

Naam bepaling: Hematocriet 

Eenheid: % 

Referentiewaarden: Man: 36 – 51 % Vrouw:  32 – 45 % 

Klinische betekenis:  

De hematocriet waarde van het bloed is de verhouding van het volume rode cellen en het totale bloedvolume.  

Een verhoogde hematocriet komt voor bij uitdroging (verminderd plasmavolume), bij primaire polycythemia vera (verhoogd celvolume) en bij secundaire erytremie: gewenning aan grote hoogtes, bij neonaten, o.a. bij renaal carcinoom en Cushing-syndroom en chronische alcoholisme. 

Een verlaagd Ht komt voor bij hypervolemie (zwangerschap, oedeem), bij het toedienen van plasma (of vervangende middelen). Ook bij diverse types anemie, bij erytropoëtine-onderproduktie zoals bij ernstige nierpathologie en uremie (dialysepatiënten). 

Bij Ht waarden < 30% kan een toestand van verminderd O2-transport ontstaan. Bij een waarde > 50% neemt de bloedviscositeit sterk toe (en daarmee de weerstand in de capillairen). 

Ingangsdatum: 

XE-2100 Sysmex, Sysmex XN-10 

Berekening door middel van detectie van de cummulatieve impuls hoogte van de erytrocyten, Zie SOP XE-2100 Sysmex, maart 2008 

Zie SOP Sysmex XN-10, 2017 

Matrix:  EDTA volbloed. 

Volume:  Bij de analyse opgezogen hoeveelheid monster:- manual en capillary mode 130 µl sampler/closed mode 200 µlhiervan wordt 4 µl gebruikt voor de bepaling 

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Hemoglobine

Naam bepaling: Hemoglobine 

Eenheid: g/dL 

Referentiewaarden: m. 12.0 – 17.0 g/dlv.  11.0 – 15.0 g/dl 

Klinische betekenis:  

Hemoglobine (Hb) is essentieel voor het zuurstoftransport en in minder mate voor de buffering van bloed en CO2-transport. Hb is normaliter opgebouwd uit een tetrapeptide met 4 heamgroepen. De meest voorkomende vorm bij volwassenen is HbA0 dat bestaat uit 2α en 2β ketens (αα,ββ); bij neonaten overheerst HbF (αα,γγ). 

Per dag wordt ongeveer 1% Hb vervangen. Erytropoëtine speelt een hoofdrol bij de regulatie van de Hb-productie. Nodig voor de Hb-productie zijn vooral Fe, vitamine B12, foliumzuur, vitamine C, aminozuren en verder Co, Zn, Cu, vitamine B6 en pantotheenzuur. 

De weefseloxygenatie wordt onvoldoende bij een Hb onder 10.0 g/dl. De viscociteitstoename bij een Hb boven 17.7 g/dl belemmert eveneens de weefseloxygenatie. Voor het stellen van de diagnose geeft men nu de voorkeur aan een morfologische indeling met een belangrijke rol voor MCV en MCH, waarbij vervolgens gekeken wordt naar het aantal reticulocyten.  

– Microcytaire anemie (MCV « 80 fL); ijzergebreksanemie; ernstige anemie bij chronische ziekten; thallasemie; dysfunctie van de heamsynthese zoals bij lood intoxicatie. 

– Normocytaire anemie (80 fL < MCV < 100 fL); chronische ziekte; maligniteiten; chronische nierziekten; endocriene hypofunctie; beenmergsuppressie door geneesmiddelen of toxinen; hematologische maligniteit/aplasie; beenmerginvasie; hemolytisch uremisch syndroom (HUS). 

– Macrocytaire anemie ( MCV » 100 fL); megaloblastaire anemie; chronische leverziektes; bij behandeling van maligniteiten met cytotoxische chemotherapeutica; aplastische anemie; hemolytische anemie (met reticulose); alcohol-abusus. 

Een verhoogd Hb komt voor bij ernstige uitdroging en primaire of secundaire 

polycythaemia vera. Veranderingen in de Hb-concentratie gaan vaak samen met verandering in de erytrocyten telling en in de hematocriet. 

Ingangsdatum: 

XE-2100 Sysmex/Sysmex XN-10 

Spectrofotometrisch; SLS-Hemoglobin detectie methode met Sulfolyser (Sodium Lauryl Sulfaat), Zie SOP XE-2100 Sysmex, maart 2008 

Zie SOP Sysmex XN-10, 2017 

Matrix:  EDTA volbloed. 

Volume:  Bij de analyse opgezogen hoeveelheid monster:- manual en capillary mode 130 µl- sampler/closed mode 200 µlhiervan wordt 3 µl gebruikt voor de bepaling 

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Het differentiëren van een bloeduitstrijk

Naam bepaling: Het differentiëren van een bloeduitstrijk 

Eenheid: N.v.t. 

Referentiewaarden: Zie Referentiewaarden Medical Laboratory Services 

Klinische betekenis:  

De morfologische aspecten van de rode- en witte bloedcellen zijn van diagnostische en dus ook klinische betekenis. Sommige morfologische aspecten kunnen enkel met de microscoop worden beoordeeld. 

Bloedmonsters afkomstig van dieren die op de Sysmex XE-2100 analyser zijn bepaald, worden m.b.v. een diffuistrijk microscopisch gedifferentieerd. 

Ingangsdatum:  

De bloeduitstrijkjes worden eerst gekleurd met Wright kleurstof en vervolgens met  Giemsa kleurstof. 

Na het drogen worden deze microscopisch beoordeeld. De cellen worden geïdentificeerd en geclassificeerd aan de hand van een aantal criteria, die betrekking hebben op de celgrootte, de kern (o.a. de diameter, vorm en structuur) en het cytoplasma (o.a. hoeveelheid, kleur, korrels, en insluitsels). 

Matrix:  Via een goede venapunctie (SOP Bloedafname PA006/BL) wordt het bloed in een vacuümbuis met EDTA afgenomen. Er kan ook gebruikt worden gemaakt van capillair bloed. Van bloedmonsters afkomstig van dieren wordt handmatig een bloeduitstrijk gemaakt en gekle 

Volume:  NVT

Frequentie:  NULL

Voorbereiding:  NULL

Afnamecondities:  NULL

Transportcondities:  NULL

 

hs Troponine T

Naam bepaling: hs Troponine T 

Eenheid: pg/ml 

Referentiewaarden: < 14.0 pg/ml 

Klinische betekenis:  

Troponine maakt onderdeel uit van de dunne filamenten van dwarsgestreept spierweefsel. Het speelt een rol in het mechanisme van spiercontractie en spierrelaxatie. Er zijn drie verschillende troponines: troponine C, I en T. 

Troponine komt zowel in skelet- als in hartspierweefsel voor. De aminozuursamenstelling van troponine I en troponine T in skeletspierweefsel is anders dan die van troponine I en troponine T van hartspierweefsel. Cardiale troponine I- en troponine T moleculen kunnen dus specifiek gemeten worden en zijn beide geschikt als marker voor hartschade. In geval van acuut myocard infarct stijgen de troponine gehaltes in serum ongeveer 3-4 uren na het ontstaan van cardiale symptomen. Troponine T kan 14 dagen lang verhoogd blijven. Troponine T is dus uitermate geschikt voor de detectie van hartschade bij patiënten die al enkele dagen klachten hebben. Een hernieuwde stijging (> 50 – 80%) van Troponine T bij een patiënt kort na een eerste infarct duidt op een tweede infarct. Naast het vaststellen/uitsluiten van hartschade in de acute situatie is de Troponine T waarde een onafhankelijke risicostratificator bij patiënten met pijn op de borst: de hoogte van de Troponine T waarde in bloed is een maat voor de kans op het doormaken van een ischemisch ‘event’ gedurende de eerstvolgende weken en voor de kans op overlijden. 

Met de invoering van de Troponine T bepaling wordt het meten van conventionele hartmerkers (CK-totaal, CKMB-activiteit, ASAT en LD) met als doel vaststellen/ 

uitsluiten van hartschade steeds minder toegepast.

Ingangsdatum:  Cobas 6000, electrochemiluminiscentie (ECLIA); sandwich methode. Zie SOP Cobas 6000 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 15 ÂµL. 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

High density lipoproteïne cholesterol

Naam bepaling: High density lipoproteïne cholesterol 

Eenheid: mg/dl 

Referentiewaarden: Leeftijdafhankelijk! Kinderen ≤ 18 jaar: Zie Referentiewaarden bij kinderen KC041/RWK Volwassenen: Ondergrens: 35 mg/dl Bovengrens: 70 mg/dl 

Klinische betekenis:  

Lipoproteïnen zijn in het bloed hoogmoleculaire complexen, samengesteld uit eiwitten en lipiden zoals cholesterol, fosfolipiden en triglyceriden. Hydrofiele delen van lipiden-moleculen (fosfolipiden) bevinden zich aan de buitenzijde van de complexen, de onoplosbare vetten bevinden zich in het complex. Na scheiding in een ultracentrifuge kunnen verschillende dichtheidsklassen onderscheiden worden: HDL, VLDL, IDL en LDL. Er zijn drie subtypen van HDL: HDLc, HDL2 en HDL3. Ongeveer 50 % van HDL bestaat uit eiwit (met name apo A-I en A-II). HDL2 is het grootste deeltje met een molecuulgewicht van ongeveer 360.000, HDL3 heeft een molecuulgewicht van ongeveer 175.000. Behalve apo A-I en apo A-II bevat HDL ook apo C en apo E. Het laatstgenoemde eiwit komt voor als apo E-HDLc. Deze vorm van HDL transporteert cholesterol na een maaltijd met een hoog cholesterol-gehalte, het bezet de LDL-receptor (beschermend effect). HDL wordt gesynthetiseerd in de lever en de darmen. In eerste instantie ontstaat een schijfvormig en vrij plat HDL-partikel. Naarmate de hoeveelheid cholesterol toeneemt, wordt het HDL-partikel bolvormig. In de bloedbaan wordt door HDL-partikels cholesterol opgenomen vanuit perifere cellen en na estervorming opgeslagen in het partikel en getransporteerd naar de lever (“goed” cholesterol in tegenstelling tot LDL-cholesterol). Bij de opname van cholesterol in HDL katalyseert het enzym LCAT (lecithine cholesterol acyltransferase) de verestering van cholesterol. HDL vermindert zo de opslag van cholesterol in weefsels. De halfwaardetijd van HDL is 4 dagen.  Een HDL-concentratie < 35 mg/dl bij mannen en < 42 mg/dl bij vrouwen wijst op een verhoogd relatief risico op hart- en vaatziekten.

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Kal. 2000/Homogeen enzymatisch colorimetrisch, direct: Polyethyleenglycol, 3rd gen. Roche. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 2.5 ÂµL

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Het maken en kleuren van een bloeduitstrijk

Naam bepaling: Het maken en kleuren van een bloeduitstrijk 

Eenheid: N.v.t. 

Referentiewaarden: N.v.t. 

Klinische betekenis:  De morfologische aspecten van de rode- en witte bloedcellen zijn van grote    diagnostische waarde en dus ook klinische betekenis. 

Ingangsdatum:  

De bloeduitstrijkjes worden eerst in een methanolische onverdunde Wright kleurstof oplossing gefixeerd en gekleurd. De Wright kleurstof is een mengsel van eosine (zuur) en methyleenblauw. Hiermee worden alleen de basische en zure groepen van de cellen goed gekleurd. De details, vooral van de kernen en de granulaties van de leucocyten en de trombocyten worden onvoldoende gekleurd. Met de Giemsa kleurstof, die bestaat uit eosine (zuur), methyleenblauw en het oxydatieproduct van methyleenblauw (methyleenazuur) worden deze details van de cellen beter zichtbaar en meer contrastrijk. 

Matrix:  Via een goede venapunctie (zie SOP Bloedafname PA006/BL) wordt het bloed in  een vacuümbuis met EDTA afgenomen. Er kan ook gebruik worden gemaakt van  capillair bloed 

Volume:  NVT

Frequentie:  NULL

Voorbereiding:  NULL

Afnamecondities:  NULL

Transportcondities:  NULL

 

HSV 1-2 IgG

Naam bepaling: HSV 1-2 IgG 

Eenheid: Index 

Referentiewaarden: Negatief: Index <0.9 U/mLEquivocal: Index 0.9-1.0 U/mL Positief: Index ≧ 1.0 U/mLEen negatief resultaat indiceert over het algemeen dat een patiënt niet is geïnfecteerd, maar sluit niet altijd een acute HSV infectie uit. In de eerste 2-3 weken na 

Klinische betekenis:  

De methode voor kwalitatieve determinatie van specifiek IgG tegen HSV is een indirecte chemische luminescentie antistofbepaling (CLIA). HSV recombinant eiwitten worden gebruikt voor coating van magnetische partikels (vaste fase) en een muis monoklonaal antistof is gebonden aan een isoluminol derivative (isoluminol-antistof conjugaat). 

Tijdens de eerste incubatie binden de HSV antistoffen aanwezig in de calibratoren, monsters en controles aan de vaste fase. Tijdens de tweede incubatie reageert het antistof conjugaat met HSV IgG wat gebonden is aan de vaste fase. Na elke incubatie wordt het ongebonden materiaal verwijderd tijdens een wasstap. Hierna wordt het starter reagens toegevoegd en een chemieluminescentie flits reactie wordt geïnduceerd. Het lichtsignaal en dus de hoeveelheid van het isoluminol-antistof conjugaat wordt gemeten door een fotomultiplicator als relative light units (RLU) en is een indicatie van HSV IgG concentratie aanwezig in calibratoren, monsters of controles. 

 

Herpes simplex virus (HSV) is een DNA vrus met een envelop, morfologisch gelijk aan andere familieleden van de Herpetoviridae familie. Twee natuurlijk voorkomende varianten van HSV, met verschillende epidemiologische eigenschappen van de antigenen. Beide typen virussen veroorzaken humane infecties variërend in ernst van verkoudheid en hersenvliesontsteking. Type 1 (HSV-1) infecteert de slijmvliezen van het oog, de mond en holtes van het gezicht en is één van de meest bekende veroorzakers van ernstige sporadische encephalitis bij volwassenen. HSV type 2 (HSV-2) is meestal geassocieerd met mucocutane genitale laesies: genitale herpes is nu een van de meest bekende seksueel overdraagbare aandoeningen. De associatie tussen de plaats van infectie en het betrokken HSV type is echter niet exclusief. 

Wanneer de infectie voorkomt, persisteert HSV in een latente fase in de sensorische ganglia waarvandaan het opnieuw kan opkomen en periodieke herhaling van de infectie kan veroorzaken onder verschillende stimulerende omstandigheden. Antistoffen in het serum en virus-specifieke celgemedieerde immuniteit dragen bij aan herstel. 

Zwangere vrouwen die genitale herpes ontwikkelen hebben twee tot drie keer meer kans op een spontane abortus of bevallen van een premature baby dan zwangere niet-geïnfecteerde vrouwen. Actieve virus excretie in genitale afscheiding van zwangere vrouwen kan resulteren in ernstige neonatale HSV infectie die tijdens de vaginale geboorte wordt doorgegeven en heeft wanneer het niet wordt behandeld, hoge ziekte- en sterftecijfers. 

Bij de leeftijd van 5 jaar heeft 35% van de kinderen antistoffen tegen HSV-1 en 80% van de volwassenen van 25 jaar heeft specifieke antistoffen tegen HSV-1. HSV-1 en HSV-2 hebben gedeeltelijk dezelfde gemeenschappelijke determinanten, antistoffen gericht tegen één van de types kan kruisreageren met het andere virale type. Recidiverende infecties komen vaak voor met beide virale types desondanks de aanwezigheid van circulerende antistoffen. 

 

Snelle en accurate diagnose van HSV infectie is nodig voor vroegtijdige selectieve behandeling en het minimaliseren van de verspreiding van de infectie. De eerste humorale immuunrespons tegen de infectie is de synthese van specifiek anti-HSV antistoffen welke een week na infectie detecteerbaar worden. Gewoonlijk is dit bewijs van een recente of recidiverende infectie. Specifieke IgG antistoffen komen na twee tot drie weken op na een primaire infectie, maar de titer kan dalen na een paar maanden. Patiënten met terugkerende ziekte laten vaak geen titerstijging zien. Detectie van IgG levert serologisch bewijs van voorafgaande blootstelling aan HSV. Dit kan bijdragen aan de diagnose van recente (primaire of recidiverende) HSV infectie in gepaarde sera met seroconversie tegen HSV-1 of HSV-2.

Ingangsdatum:  LIAISON XL analyser, chemiluminiscentie immunoassay (CLIA) Zie SOP LIAISON XL SC052/LIAXL 

Matrix:  Serum of plasma 

Volume:  190 µl (40 µl materiaal + 150 µl dood volume) 

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NULL

Afnamecondities:  NULL

Transportcondities:  NULL

 

Humaan choriongonadotrofine (HCG)

Naam bepaling: Humaan choriongonadotrofine (HCG) 

Eenheid: mIU/ml 

Referentiewaarden: Zwangerschap: 3 weken  5.8  – 71.2 mIU/ml 4 weken  9.5  – 750 mIU/ml 2e maand  32065  – 149571 mIU/ml 3e maand  27832  – 210612 mIU/ml 2e trimester  8099  – 58176 mIU/ml Vrouw: < 5.3 mIU/ml Menopauze: < 8.3 mIU/ml Man:   

Klinische betekenis:  

HCG is een glycoproteïne bestaande uit een - en een -keten. HCG wordt in de placenta (trofoblasten) geproduceerd. Het heeft een biologische activiteit overeenkomend met die van LH (luteotroop hormoon). De fysiologische rol is niet geheel duidelijk.  

De biologische werking van HCG wordt bepaald door 30 C-terminale aminozuren van de ï¢-keten. Vaak wordt in plaats van HCG de omschrijving ï¢-HCG gebruikt. In de praktijk wordt met ï¢-HCG meestal het totale HCG molecuul met eventueel aanwezige vrije  

ï¢-ketens bedoeld. De HCG test dient voor het bevestigen en vervolgen van een normale (intra-uterine) zwangerschap, extra-uterine graviditeit, een dreigende abortus of een mola hydatidosa. De HCG test wordt ook als tumormarker gebruikt (trofoblasttumoren en testiscarcinomen bij mannen). 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, ECLIA; Sandwich principe. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 10 µL. 

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Humaan immunodeficientie virus (HIV)

Naam bepaling: Humaan immunodeficientie virus (HIV) 

Eenheid: Cut-off index (ng/ml)l 

Referentiewaarden: Negatief => cutoff index < 0.9 U/ml 

Klinische betekenis:  

HIV-1 en HIV-2 zijn RNA virussen die tot de familie van de retroviridae  behoren. HIV-1 en HIV-2 komen overal ter wereld voor, maar HIV-2 komt vaker in het Caribische gebied voor. Het is een seksueel overdraagbare aandoening die in de westerse wereld vooral onder homoseksuele mannen voorkomt. Het virus wordt vooral maar niet uitsluitend via bloed-bloedcontact overgedragen. Vooral in de acute fase van de infectie hebben de geïnfecteerden zeer hoge viral loads en zijn de dus hyperinfectieus. Verticale transmissie vindt plaats. Indien onbehandeld neemt de transmissiekans met het voortschrijden van de zwangerschap toe. De grootste kans op transmissie is “durante partu” aanwezig. 

Een acute HIV-infectie veroorzaakt bij ongeveer 50 – 70% van de geïnfecteerden klachten. De klachten zijn jammer genoeg weinig specifiek. Ongeveer twee weken na infectie klagen mensen over keelpijn, koorts, spier- en hoofdpijn. Vaak zijn er ook malaise en gewrichtsverlies. Bij onderzoek valt de gegeneraliseerde lymfadenopathie op. Bijzonder en daardoor meer kenmerkend is het optreden van ulceraties van slijmvliezen.  

De diagnostiek kan op een aantal manieren plaatsvinden. Het gaat bijna altijd om serodiagnostiek. Anhankelijk van de fase van het infectieproces kunnen er HIV-antilichamen en/of HIV-antigenen (bijna altijd wordt p24-antigeen in deze test gebruikt) gedetecteerd worden. In Nederland worden in de laboratoria uitsluitend Combotest gebruikt. Combotest wil zeggen dat zowel HIV-antigeen als –antilichaam gedetecteerd wordt. Indien positief, dan volgt een HIV-immunoblot waarin nagegaan wordt of iemand  HIV-1 of HIV-2 antilichamen heeft. In de acute fase kan iemand Combotest positief en immunoblot negatief zijn. In die situaties kan aantonen van HIV-RNA door middel van moleculaire technieken de gezochte bevestiging opleveren. Herhalen van de analyse op een nieuw monster wordt ook veelvuldig toegepast 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, electrochemiluminiscentie, sandwich principe. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 40 ÂµL. 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Hx2 (huisstofmijtmix)

Naam bepaling: Hx2 (huisstofmijtmix) 

Eenheid: kUA/L 

Referentiewaarden: Negatief: < 0.35 kUA/L Positief: Klasse                   Concentratie (kUA/L) 1                                 0.36 – 0.70 2                                0.71 – 3.50 3                                3.51 -17.5 4    

Klinische betekenis:  

Bij een positieve uitslag van de Phadiatop (inhalatiemix) wordt verder getest op o.a. hx2. 

Hx2 is een mengsel van de specifieke IgE huistofmijt allergenen: h2 (Hollister-Stier labs.), d1 (Dermatophagoides  pteronyssinus), d2 (Dermatophagoides farina) en i6 (Blatella germanica = duitse kakkerlak). De hoofdbestanddelen van huisstof zijn mijten, kakkerlakken en dierlijke allergenen. Een positieve hx2 uitslag is indicatief voor een allergie voor huisstofmijt. In landen met tropische en subtropische klimaten komt het voor dat na inname van verhitte of onverhitte met mijt gecontamineerd voedsel, ernstige systemische allergische reacties optreden. De algemene symptomen die volgden na inname (10 minuten tot 4 uur naderhand) van met mijten gecontamineerde meel, waren: ademnood, angio-oedeem, hoestbuien en hooikoorts. 

Kakkerlakken produceren sterke allergenen die een belangrijke oorzaak zijn van astma. 

Ingangsdatum: 

ImmunoCAP/Phadia 100;  ELIA technologie. 

Zie SOP ImmunoCAP/Phadia 100 

Matrix:  Serum 

Volume:  Minimaal 2 ml

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

α-Foetoproteine

Naam bepaling: α-Foetoproteine 

Eenheid: ng/ml 

Referentiewaarden: < 7.0 ng/ml 

Klinische betekenis:  

AFP is een oncofoetaal antigeen dat in de foetus het belangrijkste eiwit is en wordt gevormd in endoderm-elementen: de foetale maagdarm tractus, de foetale lever en de dooierzak. Na de geboorte en gedurende het verdere leven kan AFP nauwelijks worden aangetoond. Behalve een fysiologische verhoging van AFP in het moederlijke bloed tijdens de zwangerschap treft men verhoogde AFP-waarden alleen aan onder pathologische omstandigheden. AFP komt namelijk weer tot expressie in sommige tumoren en bij enkele niet-maligne leveraandoeningen. 

Sterk verhoogde AFP waarden zijn indicatief voor primair levercelcarcinoom en bepaalde kiemceltumoren van testis en ovarium. Matig verhoogde waardes komen voor bij levercirrhose door alcohol en bij acute virale- en chronisch actieve hepatitis, mononucleosis en cholestase. 

In het algemeen is er een duidelijk verband tussen de markerconcentratie en de uitgebreidheid van het tumorproces. Na behandeling van het tumorproces is het belangrijk om frequent bloed af te nemen voor de markerbepaling. De verdwijningsnelheid van de marker is indicatief voor de aanwezigheid van tumorweefsel. Na normalisering van de AFP-waarde is een persisterende stijging tijdens follow-up een sterke aanwijzing voor metastasering. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, electrochemiluminiscentie, sandwich principe. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 10 µL. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

γ-Glutamyltransferase (γGT)

Naam bepaling: γ-Glutamyltransferase (γGT) 

Eenheid: U/l 

Referentiewaarden: M: < 55 U/l V: < 38  U/l 

Klinische betekenis:  

Het enzym γGT is gelokaliseerd in de celmembranen van vrijwel alle cellen, behalve bot en spiercellen. γGT komt in hoge concentratie voor in niertubulusepitheel en prostaatweefsel, in mindere mate in galwegepitheel, hepatocyt, dunnedarmvilli en pancreas. Het γGT dat in serum aanwezig is, is vrijwel altijd afkomstig van het hepatobiliaire systeem. De excretie van γGT vindt plaats door de lever via de gal. Een verhoogd serum γGT treffen we aan bij obstructie van de galwegen en leveraandoeningen bijvoorbeeld ten gevolge van chronisch alcoholgebruik. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Kal. 2000/Enzymatisch, colorimetrisch, 37 °C Glupa-C IFCC. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 3 µl. 

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

ImmunoCAP/Phadia 100

Naam bepaling: ImmunoCAP/Phadia 100 

Eenheid: kU/l 

Referentiewaarden: < 0.35 kU/l 

Klinische betekenis:  De ImmunoCAP/Phadia 100 is een volledig geautomatiseerd tafelmodel analyser, geschikt voor de kwantitatieve bepaling van specifiek IgE antilichamen met behulp van een immunochemische meettechniek. 

Ingangsdatum:  

Het meetprincipe van de ImmunoCAP/Phadia 100 analyser is gebaseerd op de unieke ImmunoCAP- en ELIA-technologie van Pharmacia Diagnostics AB. De ImmunoCAP technologie wordt gebruikt voor het screenen van bepaalde allergenen, en het uittyperen van positieve screening resultaten. De ELIA-technologie wordt gebruikt voor de kwantitatieve bepaling van autoantilichamen. ImmunoCAP zijn flexibele hydrofiele polymeercarriers omhuld door een capsule en ELIA putjes zijn gemaakt van polystyreen. De bodem van ImmunoCAP en ELIA putjes zijn gefixeerd met antigenen. Specifieke antilichamen in het serum vormen een antigeen-antilichaam complex met de gefixeerde antigenen in het putje. Toevoeging van development oplossing aan het putje zorgt voor het ontstaan van een kleurreactie. Na het stopzetten van de kleurreactie m.b.v. de stopoplossing, wordt de hoeveelheid gekleurde serum als een maat voor de hoeveelheid antilichamen in het serum bepaald. 

Matrix:  NVT

Volume:  NVT

Frequentie: NVT

Voorbereiding:  NULL

Afnamecondities:  NULL

Transportcondities:  NULL

 

Immunoglobuline A (IgA)

Naam bepaling: Immunoglobuline A (IgA) 

Eenheid: mg/dl 

Referentiewaarden: Leeftijdafhankelijk! Kinderen ≤ 18 jaar: Zie Referentiewaarden bij kinderen KC041/RWK Volwassenen: 70 – 400 mg/dl 

Klinische betekenis:  

Immuunglobuline A komt in serum voor als monomeer en als polymeer. Daarnaast bestaat in excretieprodukten secretoire IgA (sIgA). 

IgA wordt geproduceerd door plasmacellen. De functie van IgA in serum is niet geheel duidelijk. De belangrijkste functie is die van het secretoir IgA. Dit beschermt het lichaam tegen het binnendringen van allerlei pathogene agentia door zijn voorkomen in excretievloeistoffen zoals traanvocht, colostrum, gal en van de klieren van de urinewegen, luchtwegen en tractus digestivus. 

Monoklonale IgA verhogingen worden onderscheiden in benigne, maligne en begeleidende verhogingen. Een verhoogd gehalte aan IgA wordt gevonden bij gevallen met recidiverende infecties (o.a. bij luchtweg- en darminfecties), bij IgA-paraproteïnemie (M. Kahler), chronische leverinfectie en reumatoide aandoeningen. Verder wordt de IgA bepaling aangevraagd voor het vaststellen van de immuunstatus van de patiënt. 

Verlaagd IgA gehalte wordt gezien bij IgA-deficiëntie gevallen en nefrotisch syndroom 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Immunoturbidimetrisch, antigeen/antilichaam complex. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum  

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 5 µL. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Immunoglobuline E

Naam bepaling: Immunoglobuline E 

Eenheid: IU/ml 

Referentiewaarden: < 100 IU/ml 

Klinische betekenis:  

Immunoglobuline E speelt een belangrijke rol in de immunologische protectie tegen parasitaire infecties en allergiën. Vaak gaan allergische aandoeningen gepaard met een verhoogde concentratie van IgE in het bloed. De IgE moleculen binden zich aan de oppervlakte van de basofiele granulocyten of mastcellen. De in het bloed circulerende antigenen hechten zich dan aan de gebonden IgE-moleculen waardoor de cellen biologisch geprikkeld worden en histamine uitscheiden. Dit is de oorzaak van jeukend allergische uitslag. Tot het laboratoriumonderzoek behorende totale IgE en allergeen-specifieke IgE (RAST of FOOD testen). Verhoogd IgE is ook te zien bij o.a. longaandoeningen en parasitaire infecties. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, electrochemiluminiscentie, sandwich principe. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 10 µL. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Immunoglobuline G (IgG)

Naam bepaling: Immunoglobuline G (IgG) 

Eenheid: mg/dl 

Referentiewaarden: Leeftijdafhankelijk! Kinderen ≤ 18 jaar: Zie Referentiewaarden bij kinderen KC041/RWK Volwassenen:700 – 1600 mg/dl 

Klinische betekenis:  

IIgG is de grootste fractie (80%) van de serum immunoglobulines en heeft als een van de voornaamste taken de defensie tegen micro-organismen. 

Een verhoogd gehalte aan IgG wordt gevonden bij chronische en recidiverende infecties (in de vorm van antistoffen), IgG-paraproteïnemie (M. Kahler), autoimmunoziekten (SLE) en andere maligniteiten. Verder wordt de IgG bepaling aangevraagd voor de vaststelling van de immuunstatus van de patiënt. 

Verlaagd IgG gehalte wordt gezien bij gebruik van geneesmiddelen (corticosteroïden en cytostatica) en bij immunosuppresieve therapie. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Immunoturbidimetrisch. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 5 µL. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  

 

Immunoglobuline M (IgM)

Naam bepaling: Immunoglobuline M (IgM) 

Eenheid: mg/dl 

Referentiewaarden: Leeftijdafhankelijk! Kinderen ≤ 18 jaar: Zie Referentiewaarden bij kinderen KC041/RWK Volwassenen:31 – 208 mg/dl 

Klinische betekenis: 

IgM reageert als primaire immuunrespons tegen infectieuze organismen en activeert het complementsysteem. Sterke verhoging van IgM wordt meestal gevonden bij de acute fase van een infectie; vervolgens gaat een daling van de IgM-concentratie gepaard met een stijging van de IgG-concentratie. 

Een verhoging van IgM wordt gezien bij het begin van alle infecties (zowel virale als bacteriële infecties), ziekte van Waldenström (macroglobulinemie), rheumatoïde arthritis en leveraandoeningen. 

IgM kan ontbreken of verlaagd zijn als gevolg van humorale immunodeficiënties of aangeboren gammaglobulinemie of verworven hypogammaglobulinemie 

Ingangsdatum: Cobas 6000, Immunoturbidimetrisch, antigeen/antilichaam complex. Zie SOP Cobas 6000

Matrix: Serum

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 9 Âµl. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Indirecte Coombs Diamed

Naam bepaling: Indirecte Coombs Diamed 

Eenheid: Kwalitatief 

Referentiewaarden: Negatief 

Klinische betekenis:  

De enige natuurlijk voorkomende antistoffen (reguliere antistoffen) tegen RBC-antigenen zijn anti-A en anti-B (ABO bloedgroepensysteem) bij personen bij wie het overeenkomstig antigeen ontbreekt.  

Irreguliere antistoffen verschijnen wanneer een immunisatie is opgetreden. Dit kan enkel na contact met lichaamsvreemde RBC-antigenen, zoals bij een zwangerschap, transfusie of transplantatie. Of en wanneer een immunisatie optreedt, is enerzijds afhankelijk van het immuunsysteem van het individu en anderzijds van het bloedgroepantigeen zelf. Irreguliere antistoffen zijn van het IgG type en zijn dus kleine antistoffen die op zichzelf niet in staat zijn de RBC te agglutineren omdat de negatieve elektrische lading rond de RBC te groot is. Om in vitro toch de aanwezigheid van die IgG antistoffen aan te tonen wordt gebruik gemaakt van de indirecte coombs test. Er worden test-RBC aan het plasma van de patiënt toegevoegd waarop de eventueel aanwezige antistoffen op die test-RBC zullen binden. De test-RBC zijn zo samengesteld dat alle klinisch relevante bloedgroepsystemen op de testcellen aanwezig zijn. Het coombsreagens is een anti-humaan IgG dat de brug maakt tussen de gecoate RBC en op die manier een agglutinatiereactie teweegbrengt. 

In vivo kunnen IgG antistoffen wel hemolyse veroorzaken mits complementbinding plaatsvindt of met behulp van macrofagen in de milt of de lever. Het gaat dan meestal om extravasculaire hemolyse. Doordat IgG moleculen klein zijn, kunnen ze wel door de placenta migreren en hemolytische ziekte van de foetus of van de pasgeborene veroorzaken. De natuurlijke antistoffen zijn meestal van het IgM type, dit zijn grote moleculen, die niet door de placenta kunnen passeren maar wel vaker intravasculaire (en ernstigere) hemolyse veroorzaken. 

Ingangsdatum:  De indirecte coombs test is een twee-fase onderzoek waar de te onderzoeken erytrocyten worden geïncubeerd met antistoffen gericht tegen humane globulinen (antihumaanglobuline): anti-IgG, complementfactoren en anti C3d. Er wordt gebruik gemaakt van panel cells I, II en III en patiëntenplasma. Indien er IgG-antistoffen en/of complement in-vivo op de erytrocyten gebonden zijn zal agglutinatie optreden. 

Matrix:  Via een goede venapunctie ( zie SOP Bloedafname PA006/BL) wordt bloed afgenomen in een EDTA buis. 

Volume:  Minimaal 1 ml 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Kalium

Naam bepaling: Kalium 

Eenheid: mmol/l 

Referentiewaarden: Ondergrens 3.5 mmol/l (serum) Bovengrens 5.0 mmol/l (serum) Ondergrens 25 mmol/24u (urine) Bovengrens 100 mmol/24u (urine) 

Klinische betekenis: 

Kalium is het voornaamste intracellulaire kation. Van het totale gehalte aan kalium in het lichaam bevindt zich slechts 2% extracellulair. De kaliumbalans wordt gereguleerd door aldosteron: een overmaat K+ wordt door de nieren uitgescheiden. 

De juiste serum kaliumconcentratie is van groot belang voor diverse vitale lichaamsfuncties. Daarnaast is het van belang voor de controle op toediening van kalium via een infuus. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, ion selectieve elektrode, ISE indirect (met verdunning), zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum, urine  

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 9.7 µl (ook voor automatische rerun). Voor manuele rerun van urinemonsters is 6.5 μl nodig 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Ketonen ( Aceton screening)

Naam bepaling: Ketonen ( Aceton screening) 

Eenheid: Semikwantitatief (-, ±, +) 

Referentiewaarden: Negatief  

Klinische betekenis:  Urinemonsters worden op de aanwezigheid van ketonen (acetoacetaat en aceton) gescreend door gebruik te maken van urine teststrips die voorzien zijn van testvelden voor verschillende urinebestanddelen. Natriumnitroprusside en glycine reageren in alkalisch milieu met ketonen tot een violet complex. De teststrip reageert vooral op acetoacetaat. Bij ketoacidose (vooral bij diabetes mellitus type I) of hongertoestanden wordt acetoacetaat en aceton in de verhouding 10:1 uitgescheiden. Ketonurie wordt verder gezien bij zwangerschapsbraken, acetonisch braken bij kinderen, koorts, ernstige infecties (bijvoorbeeld pneumonie) en sommige dieetkuren voor vermagering. 

Ingangsdatum:  Aution Hybrid AU-4050; teststrip. Zie SOP Aution Hybrid AU-4050 U015/AH. 

Matrix:  Urine 

Volume:  Minimaal 2 ml. 

Frequentie:  Dagelijks van maandag tot en met zaterdag. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Kreatinine

Naam bepaling: Kreatinine 

Eenheid: mg/l (serum); mg/24u (urine) 

Referentiewaarden: Leeftijdafhankelijk! Kinderen ≤ 18 jaar: Zie Referentiewaarden bij kinderen KC041/RWK Volwassenen: Ondergrens m: 7.0 mg/l v: 6.0 mg/l (serum) Bovengrens m: 13.0 mg/l v: 11.0 mg/l (serum) Ondergrens 800 mg/24u (urine) Bovengrens 2000 mg/24u (urine)     

Klinische betekenis:  

Kreatinine wordt in de spieren gevormd uit kreatinefosfaat, de energieleverende verbinding in het spierweefsel. Per dag wordt 1-2% van het kreatinine spontaan omgezet en komt vervolgens in de circulatie waar het door de nieren geëlimineerd wordt. Bij een normale nierfunctie wordt kreatinine door de glomeruli gefiltreerd, zeer beperkt door de tubuli geresorbeerd en in geringe mate uitgescheiden. Het kreatininegehalte in serum wordt voornamelijk bepaald door de spiermassa en de nierfunctie. 

 Als spieraandoeningen uitgesloten zijn, kan het serumkreatinine gehalte gebruikt worden als parameter voor de glomerulaire filtratiesnelheid (GRF). 

Wanneer de nieren slecht functioneren, wordt via de urine te weinig kreatinine uitgescheiden en wordt de concentratie in bloed hoger dan normaal. 

Verhoogde serum waarden vinden we o.a. bij acuut of chronisch nierfalen, obstructie van de urinewegen, slechte doorbloeding van de nieren, shock en dehydratie.  

 Verlaagde serum kreatinine waarden vinden we bij lage spiermassa’s. 

Bepaling van kreatinine in urine in de diagnostiek van nierfunctie(verlies) heeft weinig zin, tenzij als onderdeel van een clearance-test. Omdat de uitscheiding in 24-uur normaliter vrij constant is, wordt kreatinine gebruikt als kontrole op het verzamelen van 24-uurs urine: daarnaast worden veel andere bepalingen in urine uitgedrukt naar ratio van uitgescheiden kreatinine. 

 Tenslotte wordt de kreatinine gebruikt voor het bepalen van de e-GFR (een schatting  

 van de kreatinine klaring).

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Kinetisch gebufferd, Jaffé met compensatie, automatisch. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum  

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 10 µl. 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Lactaatdehydrogenase

Naam bepaling: Lactaatdehydrogenase 

Eenheid: U/l 

Referentiewaarden: Leeftijdafhankelijk! Kinderen ≤ 18 jaar: Zie Referentiewaarden bij kinderen KC041/RWK Volwassenen: M: <248 U/lV: <247 U/l 

Klinische betekenis:  Lactaat dehydrogenase is het enzym dat lactaat omzet in pyruvaat. Het LD-enzym is opgebouwd uit vier peptide ketens van twee soorten, H (hart) en M (spier), waaruit 5 iso-enzymen kunnen ontstaan. De LD enzymen zijn voornamelijk aanwezig in het cytoplasma van de cellen van hart-, lever-, spier en nierweefsel. Afhankelijk van het aangetaste orgaan kan de verdeling van de iso-enzymen verschillen. Verhoogde activiteiten vinden we bij diverse ziektebeelden. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, enzymatisch spectrophotometrisch, Lactaat Dehydrogenase conform IFCC, 37 °C Tris L => P. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum  

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 2.8 µl. 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Leucocyten

Naam bepaling: Leucocyten 

Eenheid: 103/µL (K/µL) 

Referentiewaarden: 3.5 – 10.8 103/µL 

Klinische betekenis:  

De vorming van leucocyten vindt plaats in het beenmerg uit de hematopoëtische stamcel die zich in stand houdt door deling en differentieert tot ofwel de myeloïde stamcel ofwel de lymfatische stamcel. De lymfatische stamcel rijpt in beenmerg en later in de lymfeklieren uit tot lymfocyten.  

Er zijn vijf belangrijke soorten leucocyten te onderscheiden die ieder een functie hebben. 

Neutrofiele granulocyten en monocyten zorgen voor de fagocytose van lichaamsvreemde stoffen, vooral micro-organismen en celresten. Zij kunnen actief naar de plaats van de infectie bewegen en ruimen daar de ongewenste stoffen op; bij dit proces spelen enzymen uit hun korrels een sleutelrol. 

Eosinofiele granulocyten zijn belast met het onschadelijk maken van parasieten en spelen samen met de basofiele granulocyten een rol bij allergie. 

Lymfocyten hebben verschillende functies bij de synthese van immunoglobulinen en bij directe cellulaire afweer. 

Verhoogde leucocyten (leucocytose) komt voor bij ontstekingen en infecties, bij septische shock, bij stress, brandwonden, sommige auto-immuunziekten en bij leukemie. 

Verlaagde leucocyten (leucopenie) komt voor bij sommige infecties, bij sepsis, bij gebruik van vele geneesmiddelen, bij pernicieuze anemie, na bestraling en chemotherapie en bij ernstige beenmerginsufficiëntie. 

Ingangsdatum: 

XE-2100 Sysmex, Sysmex XN-10 

 Flowcytometrie met semiconductor laser, Zie SOP XE-2100 Sysmex, maart 2008 

Zie SOP Sysmex XN-10, 2017 

Matrix:  EDTA volbloed.  

Volume:  Bij de analyse opgezogen hoeveelheid monster:- manual en capillary mode 130 µl- sampler/closed mode 200 µlhiervan wordt 18 µL gebruikt voor de bepaling 

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Leucocyten (screening urine )

Naam bepaling: Leucocyten (screening urine ) 

Eenheid: Leu/µl 

Referentiewaarden: Negatief 

Klinische betekenis:  

Leukocyten ook wel witte bloedcellen genoemd worden in het beenmerg gevormd uit hematopoëtische stamcellen. De leukocyten worden op basis van het aan- of afwezigheid van granulen in het cytoplasma van de cel onderverdeeld in granulocyten en agranulocyten. Tot de groep granulocyten behoren de basofiele, de neutrofiele en de eosinofiele granulocyten. De groep agranulocyten wordt onderverdeeld in lymfocyten, monocyten en macrofagen. Elke soort witte bloedcel heeft bepaalde specifieke functies. 

Urinemonsters worden op de aanwezigheid van leukocyten gescreend door gebruik te maken van urine teststrips die voorzien zijn van reagenspads voor verschillende urinebestanddelen. De detectie van leukocyten in urinemonsters is gebaseerd op de esterase activiteit in leukocyten. Leukocytenesterase, vrijgekomen uit de leukocyten, splits een indoxylester (3-OH-5fenyl-pyrrolester) tot vrij indoxyl (pyrrool), dat vervolgens met een diazoniumzout een paarse azo-product vormt. Leukocyten kunnen vanuit het bloed makkelijk door de glomerulusmembraan en de tubuluswand in de urine overgaan. Uitscheiding van leukocyten in de urine is een belangrijke aanwijzing voor ontstekingen aan de nieren en/of urinewegen. De leukocyten die in urine voorkomen zijn overwegend neutrofiele granulocyten. 

Ingangsdatum:  Aution Hybrid AU-4050; teststrip. Zie SOP Aution Hybrid AU-4050 U015/AH. 

Matrix:  Urine  

Volume:  Minimaal 2 ml. 

Frequentie:  Dagelijks van maandag tot en met zaterdag 

Voorbereiding:  NULL

Afnamecondities:  NULL

Transportcondities:  NULL

 

Lipase

Naam bepaling: Lipase 

Eenheid: U/l 

Referentiewaarden: Ondergrens: 10 U/l Bovengrens: 60 U/l 

Klinische betekenis:  

Lipasen zijn enzymen die de hydrolyse van triglyceriden tot vetzuren en glycerol katalyseren. Zij komen in vrijwel alle cellen van het lichaam voor. Een belangrijk type lipase is pancreaslipase dat in de pancreas gevormd wordt en in de dunne darm actief is. Het in serum voorkomende lipase is grotendeels van de pancreas afkomstig, voor een deel ook van de maag, long en darmslijmvlies.  

 Lipase kan door de nieren worden uitgescheiden, maar wordt geheel teruggeresorbeerd door de tubulus, zodat onder normale omstandigheden geen lipase in de urine voorkomt. Alleen verhoogde lipasewaarden zijn van belang voor de diagnostiek. De lipase bepaling wordt het meest gebruikt bij de differentiële diagnostiek van de ‘acute buik’ ter uitsluiting of bevestiging van een acute pancreatitis. Bij chronische pancreatitis is de lipase-activeiteit in het algemeen niet verhoogd. De lipase in serum kan stijgen door obstructie van de ductus pancreaticus door een galsteen of tumor afhankelijk van de lokatie. Verhoging van lipase bij bof duidt op pancreasbeschadiging. Verhogingen van lipase-activiteit lopen meestal parallel aan die van amylase. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Enzymatisch colorimetrisch, 37 °C. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum  

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 2 µl. 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Low density lipoproteïne cholesterol

Naam bepaling: Low density lipoproteïne cholesterol 

Eenheid: mg/dl 

Referentiewaarden: Leeftijdafhankelijk! Kinderen ≤ 18 jaar: Zie Referentiewaarden bij kinderen KC041/RWK Volwassenen: Ondergrens: 65 mg/dl Bovengrens: 200 mg/dl 

Klinische betekenis: 

Low Density Lipoproteïnen (LDL) spelen een belangrijke rol in het veroorzaken en beïnvloeden van de ontwikkeling van atherosclerose, voornamelijk coronaire sclerose. LDL bevat veel triglyceride en synthese vindt plaats in de lever. LDL wordt uit het plasma verwijderd door leverparynchymcellen via specifieke LDL receptors.Verhoogde LDL concentraties en langere duur in de circulatie leiden tot uitschakeling van de endotheliale functie en een hoger LDL-cholesterol opname in het monocyten/macrofagen systeem en in de cellen van de vaatwanden. Het grootste gedeelte van cholesterol opgeslagen in atherosclerotische plaques is afkomstig van LDL.  

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Kal. 2000/Homogeen enzymatisch colorimetrisch. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum  

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 2 ÂµL. 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

LUES (RPR)

Naam bepaling: LUES (RPR) 

Eenheid: KwalitatiefSemi-kwantitatief 

Referentiewaarden: Negatief 

Klinische betekenis:  

Lues, ook bekend als syfilis, is een geslachtsziekte dat veroorzaakt wordt door de spirocheet Treponema pallidum (T. pallidum). Besmetting met T. pallidum verloopt door seksueel contact, contact met infectieuze laesies, via bloedtransfusie, en via de placenta van moeder op het ongeboren kind. Het verloop van een lues infectie kan in drie fasen worden verdeeld: primaire lues, secundaire lues en tertiaire stadia. Primaire lues wordt gekenmerkt door het tevoorschijn komen van één of meerdere pijnloze zweertjes (sjankers) op de plaats van besmetting, die in de loop van enkele weken verdwijnen, zelfs zonder enig behandeling. Secundaire lues wordt gekenmerkt door huidaandoeningen (rash) en laesies op de slijmvliezen. Op dit moment is de bacterie door het hele lichaam verspreid door de bloed- en lymfebanen. Wanneer secundaire lues niet wordt behandeld, kan het overgaan in tertiaire lues. Tijdens dit laatste stadium kunnen naast de huid ook vitale organen worden aangetast met ernstige neurologische (neuro-lues) en hart (cardiovasculair lues) klachten als gevolg. 

Het lichaam reageert op de aanwezigheid van de bacterie door aspecifieke en specifieke antilichamen aan te maken. Aspecifieke antilichamen kunnen aangetoond worden met behulp van de RPR-test en de VDRL-test. Deze testen zijn goedkoop, snel uit te voeren, en kunnen zowel voor de diagnose als therapiecontrole gebruikt worden. Specifieke antilichamen kunnen aangetoond worden met behulp van FTA-test en TPHA-test. Deze testen zijn in tegendeel duurder, ingewikkelder en kunnen niet gebruikt worden voor therapiecontrole. 

Ingangsdatum:  

De RPR-test berust op het aantonen van reaginen antilichamen, die door het lichaam worden aangemaakt als reactie op een T. pallidum infectie. De RPR-test maakt gebruik van gemodificeerd VDRL-antigeen (cardiolipine), dat koolstof microdeeltjes bevat waardoor het resultaat beter zichtbaar is. Patiëntenserum wordt in een verhouding 1:1 geincubeerd met de gemodificeerde VDRL-antigeen suspensie. Wanneer er reaginen antilichamen in het serum voorkomen, zullen na incubatie zwarte aggregaten worden gevormd die macroscopisch zichtbaar zijn. Wanneer er geen reaginen antilichamen in het serum voorkomen, worden er geen aggregaten gevormd en verschijnt er een egaal grijze kleur. 

Matrix:  Serum afgenomen d.m.v. venapunctie. Als alternatief kan gebruik worden gemaakt van EDTA plasma  

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster50 µl 

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Luteiniserend hormoon (LH)

Naam bepaling: Luteiniserend hormoon (LH) 

Eenheid: mIU/ml 

Referentiewaarden: Vrouw: foll. fase 2.4  – 12.6 mIU/ml mid. cycl. 14.0 – 95.6 mIU/ml lut. Fase 1.0 – 11.4 mIU/ml menopauze 7.7 – 58.5 mIU/ml man: 1.7 – 8.6 mIU/ml 

Klinische betekenis: 

De hormonen LH en FSH worden in de hypofyse voorkwab geproduceerd en in het bloed afgescheiden o.i.v. het gonadotrofine releasing hormoon (GnRH) uit de hypothalamus. 

Deze twee gonadotrofine hormonen spelen een belangrijke rol in de regulatie van de werking van de geslachtsorganen zowel bij mannen als vrouwen. 

De belangrijkste functies van LH bij de vrouw: het stimuleren van de De Graafse follikels voor de ovulatie. 

De belangrijkste functies van LH bij de man: het stimuleren van de interstitiële Leydig cellen van de testis. 

De bepaling dient ook om na te gaan hoe de status van de hypothalamus – hypofyse gonaden as is. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, ECLA; Sandwich principe. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 20 µl. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Section

I am text block. Click edit button to change this text. Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.

Section

I am text block. Click edit button to change this text. Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.

Section

I am text block. Click edit button to change this text. Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.

Section

I am text block. Click edit button to change this text. Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.

Magnesium

Naam bepaling: Magnesium 

Eenheid: mmol/l 

Referentiewaarden: Ondergrens (serum): 0.60 mmol/l Bovengrens (serum): 1.05 mmol/l 

Klinische betekenis: 

In het menselijk lichaam komt magnesium voornamelijk voor in de botten, spieren en orgaanweefsel. Opname vanuit voedsel gebeurt zowel passief als actief in de dunne darm. 

Regulatie van de serumconcentratie van magnesium gebeurt vooral via de nieren, gedeeltelijke reabsorptie in de proximale tubulus en in de lus van Henle. 

Een verlaagd serummagnesium gehalte ontstaat door overmatig verlies via de nieren bij een verstoorde tubulaire resorptie, gastrolintestinaal verlies of verlies via hemodialyse. Gebrekkige opname via de voeding kan ook een oorzaak zijn. 

Hypermagnesiëmie ontstaat bij terminale nierinsufficiëntie en bij toediening of gebruik van magnesiumhoudende preparaten. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, Colorimetrisch, Chlorophosphonazo, automatisch discreet. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum  

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 4 Âµl. 

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Malaria

Naam bepaling: Malaria 

Eenheid: Kwalitattief 

Referentiewaarden: NVT

Klinische betekenis:  Malaria is een ziekte, die in het menselijk lichaam door de aanwezigheid van malariaparasieten veroorzaakt wordt. Jaarlijks worden meer dan 250 miljoen mensen met Malaria geïnfecteerd. Meer dan 880.000 mensen (meestal kinderen) sterven aan deze ziekte. Malaria wordt overgebracht op mensen wanneer ze gestoken worden door de vrouwelijke Anopheles-mug. Deze muggen raken geïnfecteerd als ze bloed opzuigen van mensen met gametocyten, de seksuele vorm van de parasiet, in hun bloed. Er bestaan vrouwelijke gametocyten = macrogametocyten en mannelijke gametocyten = micro-gametocyten Verdere bijzonderheden over malarisaparasieten is te vinden in “Bench Aids For Malaria Microscopy” van de WHO. 

Ingangsdatum:  Microscopische beoordeling van een dikke druppel- en een dunne bloeduitstrijk op de aanwezigheid van malaria parasieten. 

Matrix:  EDTA volbloed. (dikke druppel en dunnen uitstrijk) 

Volume:  minimaal 1 EDTA buis 

Frequentie:  Zonodig 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Mean cell hemoglobin concentration

Naam bepaling: Mean cell hemoglobin concentration 

Eenheid: g/dL 

Referentiewaarden: 30 – 36 g/dL 

Klinische betekenis: 

MCHC ‘mean cell hemoglobin concentration’, is de gemiddelde hemoglobineconcentratie in de erytrocyt. 

Het MCHC wordt door de celteller berekend door de hemoglobineconcentratie te delen door de hematocriet.  

MCHC is een van de indices die informatie geeft over de te verwachten rode bloedbeeld. 

Het MCHC is vooral van belang om bij microcytaire (hypochrome) anemiën gekenmerkt door een te laag MCH onderscheid te kunnen maken tussen ijzergebrek en andere oorzaken vb. thallassemie. MCHC is verlaagd bij ijzergebreksanemie, bij patiënten met thalassemie en sikkelcelpatiënten. 

Verhoogde MCHC is te zien bij sferocytose. 

De uitslag van de MCHC test moet echter altijd in combinatie met de uitslagen van het Hb en MCV bekeken worden. 

 

      Hb (g/dl) 

Berekening:  MCHC (g/dl) = ————————- x 100 

       Ht (%) 

Ingangsdatum: 

XE-2100 Sysmex, Sysmex XN-10 

Berekening Hb (hemoglobine) en Ht (hematocriet), Zie SOP XE-2100 Sysmex, maart 2008 

Zie SOP Sysmex XN-10, 2017 

Matrix:  EDTA volbloed. 

Volume:  Bij de analyse opgezogen hoeveelheid monster:- manual en capillary mode 130 µl- sampler/closed mode 200 µhiervan wordt 4 µl gebruikt voor de bepaling van Ht en 3 µl voor de Hb bepaling. 

Frequentie:  Dagelijks  

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities: KT

 

Mean corpuscular hemoglobin

Naam bepaling: Mean corpuscular hemoglobin 

Eenheid: Picogram (pg =10-12 ) 

Referentiewaarden: 26 – 32 pg 

Klinische betekenis: 

MCH ‘mean corpuscular hemoglobin’, is de gemiddelde hemoglobinemassa van de erytrocyten. 

Het MCH wordt door de celteller berekend door de hemoglobineconcentratie te delen door het getelde aantal erytrocyten.  

MCH is een van de erythrocyten indices en geeft informatie over de aard van de erytrocyten. 

Het MCH is verlaagd bij verminderde hemoglobinesynthese maar is een laboratoriumbepaling die slechts weinig toevoegt. 

 

     Hb (g/dl) 

Berekening:  MCH (pg) = ————————- x 10 

Ingangsdatum: 

XE-2100 Sysmex, Sysmex XN-10 

Berekening uit RBC (erythrocyten) en Hb (hemoglobine), Zie SOP XE-2100 Sysmex, maart 2008 

Zie SOP Sysmex XN-10, 2017 

Matrix:  EDTA volbloed. 

Volume:  Bij de analyse opgezogen hoeveelheid monster:- manual en capillary mode 130 µl- sampler/closed mode 200 µlhiervan wordt 4 µl gebruikt voor de bepaling van RBC en 3 µl voor de Hb bepaling. 

Frequentie:  Dagelijks  

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Mean corpuscular volume

Naam bepaling: Mean corpuscular volume 

Eenheid: fL  (1 fL=10-15) 

Referentiewaarden: 79-99 fL 

Klinische betekenis:  

MCV ‘mean corpuscular volume’, is het gemiddelde volume van de erytrocyten. 

Het MCV wordt door de celteller berekend door de som van de grootte van alle gemeten erytrocyten te delen door het getelde aantal erytrocyten.  

MCV is een van de erytrocyten indices en geeft informatie over de aard van de erytrocyten. 

Het MCV vormt de basis van de gewoonlijk gebruikte classificatie van anemie: 

– microcytair (MCV verlaagt, ≤ 80 fL ); microcytose wijst op verhinderde hemoglobinesynthese door een tekort aan ijzer of door een hemoglobinopathie. Voorbeelden van microcytaire anemie zijn ijzergebreksanemie, ernstige anemie van de chronische ziekte, thallasemie en dysfunctie van de heamsynthese. 

– normocytair (MCV normaal, 80 fL < MCV < 100 fL); normocytaire anemie komt onder andere voor bij chronische ziekte, maligniteiten en hemolyse. 

– macrocytair (MCV verhoogd, ≥100 fL); macrocytose is het gevolg van een stoornis in de deling van rode voorlopercellen in het beenmerg, bv. als gevolg van vitamine B12- of foliumzuurtekort. Voorbeelden van macrocytaire anemie zijn megaloblastaire anemie, anemie bij maligniteiten als myodysplasie en aplastische anemie. 

          HCT (%) 

 Berekening: MCV (fL) =   ———————- x 10 

     RBC (x106/µL) 

Ingangsdatum: 

XE-2100 Sysmex, Zie SOP XE-2100 Sysmex/Sysmex XN-10 

(Berekening uit RBC (erytrocyten) en HCT (hematocriet)) 

Matrix:  EDTA volbloed. 

Volume: Bij de analyse opgezogen hoeveelheid monster:- manual en capillary mode 130 µl- sampler/closed mode 200 µlhiervan wordt 4 µl gebruikt voor de bepaling van RBC en HCT

Frequentie:  Dagelijks  

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Metanefrine (IN 24 UUR URINE)

Naam bepaling: Metanefrine (IN 24 UUR URINE) 

Eenheid: µg/24u 

Referentiewaarden: 20 – 350 µg/24u 

Klinische betekenis:  

Metanefrines zijn het belangrijkste afbraakproduct van de neurotransmitters adrenaline (epinefrine) en noradrenaline. Adrenaline behoort, net zoals noradrenaline (norepinefrine) en dopamine, tot de groep catecholaminen. Catecholaminen zijn chemische verbinden opgebouwd uit aminen, die gehecht zijn aan een benzeenring die twee hydroxylgroepen (catechol) bevat. Catecholaminen worden in de chromaffine cellen in het bijniermerg, in de hersenen en sympatische neuronen gesynthetiseerd uit het aminozuur tyrosine. Tyrosine afkomstig uit de maaltijd of gesynthetiseerd in de lever wordt omgezet in DOPA (dihydroxyfenylalanine). DOPA wordt vervolgens in verscheidene weefsels omgezet in dopamine. Dopamine wordt verder omgezet in noradrenaline die in het bijniermerg verder wordt omgezet tot adrenaline. Adrenaline en noradrenaline worden respectievelijk in metanefrine en normetanefrine afgebroken, die verder worden omgezet tot vanillyl-amandelzuur (VMA) en in mindere mate tot methoxyhydroxyphenylglycol (MHPG). 

Catecholaminen en hun metabolieten komen in kleine hoeveelheden voor in de urine en de bloedbaan. De concentratie catecholamine metabolieten stijgt echter als gevolg van stress en inspanning. Sommige ziektes leiden tot forse stijging van catecholamine metabolieten (metanefrine en normetanefrine) concentraties in urine.  

De bepaling van metanefrine en normetanefrine concentratie in urine wordt gebruikt bij de diagnose en follow-up van feochromocytoom (tumoren van de bijnier), paraganglioom (tumoren van de paraganglia van het parasympatische zenuwstelsel, en neuroblastoom (tumoren van paraganglia van het sympatische zenuwstelsel). 

Ingangsdatum: 

Enzyme-Linked ImmunoSorbent Assay, ook wel ELISA genoemd, is een biochemisch techniek dat gebruikt wordt voor het opsporen van antilichamen en/of antigenen in lichaamsvloeistoffen zoals urine. ELISA techniek is gebaseerd op de vorming van specifieke bindingen tussen antilichamen en antigenen. Voor deze methode wordt er gebruik gemaakt van 96-putjes microtiter platen, waarvan de oppervlakte van elk putje gefixeerd is met een onbekende hoeveelheid antilichamen. Een bepaalde hoeveelheid urine wordt aan de putjes toegevoegd. Specifieke gebiotinyleerde antigenen in de urine vormen een antigeen-antilichaam complex met de gefixeerde antilichamen. Alle niet gebonden gebiotinyleerde antigenen worden weggewassen. Vervolgens wordt een specifiek anti-biotin antilichaam toegevoegd, die chemisch gebonden is aan alkalisch fosfatase. Het anti-biotin antilichaam herkent en bindt aan het gebiotinyleerde antigeen-antilichaam complex. Als laatste wordt een substraat toegevoegd die door alkalisch fosfatase omgezet kan worden in een kleurstof. De hoeveelheid kleurstof kan gemeten worden en is een mate voor de hoeveelheid antigeen in de urine 

Matrix:  Urine opgespaard gedurende 24 uur 

Volume:  Minimaal 10 ml urine monster 

Frequentie:  1x per week  

Voorbereiding:  Het gebruik van bepaalde voedingsmiddelen en medicijnen (zie storende factoren) wordt tenminste 3 dagen vóór en tijdens de verzamelperiode afgeraden. 

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Microscopische beoordeling van urine sediment

Naam bepaling: Microscopische beoordeling van urine sediment 

Eenheid: NVT

Referentiewaarden: NVT

Klinische betekenis:  

Het sediment bevat 2 groepen vormelementen namelijk de georganiseerde en de on-georganiseerde groep. De georganiseerde groep omvat o.a. de erytrocyten,  

leucocyten, epitheelcellen en cylinders. Tot de on-georganiseerde groep behoren alle soorten kristallen, bijvoorbeeld tripelfosfaat (MgNH4PO4), calciumcarbonaat  

(CaCO3), urinezuur, cystine, en ammoniumuraat. Het vinden van bloedcellen 

(ery’s en leuco’s) in verhoogde mate is een indicatie voor bloeding respectievelijk infectie in de nieren, nierwegen of blaas. Cylinders duiden op nierpathologie. 

Ingangsdatum:  

Door het afdraaien van urine, zakken alle deeltjes die onoplosbaar zijn naar de bodem van de sediment buis. De bovenstaande vloeistof wordt verwijderd en de resterende vloeistof in de bodem, centrifugaat, wordt geresuspendeerd. Hiervan wordt een preparaat gemaakt en bekeken onder de microscoop 

Matrix:  Bij voorkeur verse midstream ochtend urine ter plaatse geproduceerd. 

Volume:  NULL

Frequentie:  Elke 6 maanden  

Voorbereiding:  NULL

Afnamecondities:  NULL

Transportcondities:  NULL

 

Monotest

Naam bepaling: Monotest 

Eenheid: Kwalitatief 

Referentiewaarden: Negatief  

Klinische betekenis:  

Mononucleosis infectiosa, ook wel ziekte van Pfeiffer of “kissing disease”genoemd, wordt veroorzaakt door een infectie met Epstein Barr Virus (EBV). EBV is een humaan herpesvirus type 4 dat zich in de mond en keel bevindt en verspreid wordt via het speeksel (oraal-oraal contact). Infecties met EBV vinden meestal plaats gedurende de jonge kinderjaren en verlopen zonder klachten, omdat het virus zich in een latente fase bevindt. Reactivatie van het virus bij tieners en jonge volwassenen door een acute infectie leidt tot verschillende ziekteverschijnselen zoals: vermoeidheid, keelpijn, keelontsteking, koorts, en klierzwellingen. Het immuunsysteem reageert op de aanwezigheid van het Epstein Barr Virus door specifieke en aspecifieke (heterofiele) antilichamen aan te maken. Heterofiele antilichamen zijn niet specifiek voor EBV infecties, maar worden ook door het lichaam aangemaakt als gevolg van infecties met het Cytomegalovirus (CMV). Heterofiele antilichamen gericht tegen het Epstein Barr Virus worden met de monotest aangetoond. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van specifieke antilichamen (VCA-IgG en VCA-IGM) gericht tegen het Epstein Barr Virus, om infectie met het Epstein Barr Virus aan te tonen. De aanwezigheid van VCA-IgG antilichamen wijst op een recente dan wel een in het verleden doorgemaakte infectie. Bepalend voor de aanwezigheid van de antilichamen is de infectieduur waarbij ze gemeten worden. VCA-IgG antilichamen blijven levenslang aantoonbaar, terwijl VCA-IgM antilichamen binnen zes tot twaalf weken niet meer aantoonbaar zijn. Heterofiele antistoffen kunnen soms tot een jaar na infectie aantoonbaar zijn. 

Ingangsdatum:  

Het principe berust op het gebruik van latex partikels, gefixeerd met antigeen specifiek voor mononucleosis. Patiëntenserum wordt in een verhouding van 1:1 geïncubeerd met het latex reagens. Wanneer er heterofiele antilichamen in het serum voorkomen die specifiek zijn voor mononucleosis, zullen na incubatie macroscopische agglutinaties worden gevormd. 

Matrix:  Serum afgenomen d.m.v. venapunctie. Als alternatief kan gebruik worden gemaakt van EDTA plasma 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 40 μl. 

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Mx2 (schimmelmix)

Naam bepaling: Mx2 (schimmelmix) 

Eenheid: kUA/L 

Referentiewaarden: Negatief: < 0.35 kUA/L Positief: Klasse                   Concentratie (kUA/L) 1                                 0.36 – 0.70 2                                0.71 – 3.50 3                                3.51 -17.5 4 

Klinische betekenis:  

Bij een positieve uitslag van de Phadiatop (inhalatiemix) wordt verder getest op o.a. mx2. Mx2 is een mengsel van de specifieke IgE schimmel allergenen: m1 (Penicillium chrysogenum), m2 (Cladosporium herbarum), m3 (Aspergillus fumigatus), m5 (Candida albicans), m6 (Alternaria alternate) en m8 (Setomelanomma rostrata). Een positieve Mx2 is indicatief voor een schimmelallergie. De meeste schimmels komen voor in de lucht. Sommigen komen binnenshuis voor en in de lucht buitenshuis, en in vochtige grond. C. Albicans komt voor in het menselijk lichaam (neusholte en feces) en zelden in lucht. Inhalatie van schimmelsporen kan acute astma, verkoudheid en hooikoorts veroorzaken in gesensibiliseerde patiënten. Candida-specifieke antilichamen zijn aangetoond bij gevallen van astma en hooikoorts. 

Ingangsdatum: 

ImmunoCAP/Phadia 100;  ELIA technologie. 

Zie SOP ImmunoCAP/Phadia 100 

Matrix:  Serum 

Volume:  Minimaal 2 ml. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Natrium

Naam bepaling: Natrium 

Eenheid: mmol/l 

Referentiewaarden: Ondergrens 136 mmol/l (serum) Bovengrens 145 mmol/l (serum) Ondergrens 40 mmol/24u (urine)Bovengrens 200 mmol/24u (urine) 

Klinische betekenis:  

Natrium is het meest voorkomende extracellulaire kation. De natriumconcentratie van het plasma wordt zorgvuldig constant gehouden door een aantal regelmechanismen en bepaalt mede het volume van het extracellulaire vocht. Natrium wordt volledig gefiltreerd door de glomerulus en daarna voor 90% geresorbeerd in de proximale tubulus en de lis van Henle. Verlaagde natrium concentraties vinden we in geval van verhoogd verlies, verdunning (oedeem) of verminderde reabsorptie in de nier. Verhoogde natriumconcentraties vinden we ten gevolge van een verhoogde inname en ten gevolge van een verhoogd verlies van water (zweten, diabetes mellitus, etc.). 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, ion selectieve elektrode, ISE indirect (met verdunning). Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum, urine 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 9.7 µl voor de indirecte methode (ook voor automatische rerun). 6.5 µl voor manuele rerun in urine 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Niersteen analyse

Naam bepaling: Niersteen analyse 

Eenheid: De samenstelling in percentages en de herkomst van de steen worden aan de aanvrager doorgegeven. De kleinste rapporteringstap is 5% 

Referentiewaarden: NVT

Klinische betekenis:  

Nier- en blaasstenen zijn neergeslagen kristallijne enkelvoudige stoffen of mengsels van stoffen. Kristalvorming is een dynamisch proces waarbij kernvorming, groei, aggregatie en oplossing een rol spelen. Voor de vorming van kristallen dient de urine verzadigd, resp. oververzadigd te zijn. Hierbij spelen de ionsterkte, de aanwezigheid van complexvormers en remmers (citraat, oxalaat, pyrofosfaat) en de pH van de urine (b.v. alkalivorming door ureumsplitsende bacteriën) een rol. 

De grootte, vorm en hardheid van nierstenen kunnen sterk verschillen. Dit geeft aan dat ook de klachten van patiënten met nierstenen sterk uiteen kunnen lopen. Patiënten met nierstenen van geringe omvang ondervinden daar zelden last van. Naarmate deze stenen langzaam groter worden, kunnen ze pijnklachten en hematurie veroorzaken, de urineafvoer belemmeren, leiden tot nier- en urineweg beschadiging en uiteindelijk zelfs tot uitval van de nierfunctie.  

Het ontstaan van nierstenen als gevolg van of bij: 

– Een aangeboren metabole afwijking, waardoor er een verhoogde excretie is van ongewone metabolieten. De meest bekende is cystine. 

– Een verworven metabole storing met een toenemende excretie van een normaal urinebestanddeel. De meest bekende zijn calcium, fosfaat en oxalaat. (bijv. Weddelliet en Whewelliet). Meer dan de helft van de stenen in de urinewegen bestaan uit calciumoxalaat of calciumoxalaat gemengd met calciumfosfaat. 

– Patiënten die lijden aan jicht of leukemie en behandeld worden met cytostatica. De voorkomende bestanddelen zijn uraten (urinezuur). 

– Patiënten met urineweginfecties door bacteriën die urease vormen (pH >7.2). Het voorkomende bestanddeel is tripelfosfaat ammoniummagnesiumfosfaat.  

Wanneer na niersteenanalyse de samenstelling van de steen bekend is, kan er een gerichte therapeutische behandeling volgen om hernieuwde steenvorming te 

Ingangsdatum:  De niersteen wordt eerst vergruisd en vervolgens na toevoeging van kaliumbromide in palletvorm aangeboden aan het Alpha infrarood spectrometersysteem voor analyse. 

Matrix:  Materiaal soort: steen of steengruis 

Volume:  NVT

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  NVT

Transportcondities:  KT

 

Nitriet

Naam bepaling: Nitriet 

Eenheid: Semikwantitatief (-, ±, +) 

Referentiewaarden: Negatief 

Klinische betekenis:  

Urinemonsters worden op de aanwezigheid van nitriet gescreend door gebruik te maken van urine teststrips die voorzien zijn van reagenspads voor verschillende  

urinebestanddelen. Nitriet wordt door bacteriën in de urine gevormd uit nitraat. Het nitriet reageert met sulfanilamide tot een diazo-bestanddeel dat bindt met NEDA-2HCl en een rode azo-kleurstof geeft. De dichtheid van de reactiekleur correleert niet met het aantal aanwezige bacteriën. Aanwezigheid van nitriet in de urine is een van de belangrijkste aanwijzingen van een bacteriële urineweginfectie. Een positieve reactie van het reagenspad voor nitriet is dan ook vrijwel bewijzend voor een urineweginfectie (definitie: > 105 bacteriën/ml verse urine). 

Vroegtijdige herkenning en behandeling van asymptomatische urineweginfecties is van groot belang, om te voorkomen dat op termijn nierproblemen ontstaan. 

Ingangsdatum:  Aution Hybrid AU-4050; teststrip. Zie SOP Aution Hybrid AU-4050 U015/AH 

Matrix:  Urine 

Volume:  Minimaal 2 ml. 

Frequentie:  Dagelijks van maandag tot en met zaterdag. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

N-terminaal proBrain Natriuretisch Peptide

Naam bepaling: N-terminaal proBrain Natriuretisch Peptide 

Eenheid: pg/mL 

Referentiewaarden: <125 pg/mL 

Klinische betekenis:  

Hartfalen is een klinische diagnose die berust op de kernsymptomen dyspneu (kortademigheid), moeheid bij lichte inspanning en oedeem. Er bestaat een verband tussen de concentratie van brain natriuretisch peptide (BNP) en N-terminaal pro-brain natriuretisch peptide (NT-proBNP) in bloed en de ernst van hartfalen. 

BNP wordt voornamelijk door de cardiomyocyten van het linker ventrikel (hartkamer) in de circulatie uitgescheiden als reactie op het uitrekken van deze cel bij een verhoogde vullingsdruk in het ventrikel. BNP wordt daarbij door middel van eiwitontleding afgesplitst van het pro-hormoon proBNP, waarbij het eveneens fysiologisch inactieve  

N-terminale fragment NT-proBNP in de circulatie wordt uitgescheiden. 

Niet cardiale oorzaken van dyspneuklachten, zoals COPD (chronic obstructive pulmonary diseases) en pulmonale hypertensie, leiden tot een matige concentratie verhoging van BNP en NT-proBNP. 

BNP heeft een antihypertensieve en antihypervolemische werking als gevolg van bepaalde mechanismen. 

BNP verdwijnt uit de bloedcirculatie door klaring door specifieke receptoren en de nieren en door intravasale eiwitontleding. De nierklaring is een belangrijk verwijderingmechanisme voor NT-proBNP, zodat bij de interpretatie van NT-poBNP rekening gehouden moet worden met een gestoorde nierfunctie. 

De bepaling van BNP en NT-proBNP kunnen worden toegepast bij klinische symptomen duidend op (acuut) hartfalen, therapiebewaking bij chronisch hartfalen en bij inschatting van de prognose hartfalen. 

Bij de interpretatie van BNP en NT-proBNP bij het stellen van de diagnose hartfalen dient rekening gehouden te worden met een aantal factoren zoals de nierfunctie, de body-mass index, leeftijd en geslacht, andere cardiale oorzaken, sepsis, en medicatie effecten. Voor meer informatie over de intrepretatie van proBNP resultaten wordt verwezen naar de richtlijn “Multidisciplinaire richtlijn Hartfalen 2010”. 

Ingangsdatum:  Cobas C6000, electrochemiluminiscentie, sandwich methode. Zie SOP Cobas C6000. 

Matrix:  Serum  

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 15 µL

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Occult bloed in feces

Naam bepaling: Occult bloed in feces 

Eenheid: Kwalitatief 

Referentiewaarden: Negatief 

Klinische betekenis:  

De Hemosure One-step immunological Fecal occult bloed test wordt gebruikt voor het onderzoeken van humane feces op de aanwezigheid van spoortjes bloed die met het oog niet zichtbaar zijn. De occult bloed test wordt gedaan om te controleren op bloeding in het maag-darmkanaal, die zou kunnen duiden op darmkanker. Normaal zit er geen bloed in de ontlasting, maar afwijkingen in de maag- of darmwand zoals zweertjes, uitstulpingen, poliepen, ontstekingen, aambeien of tumoren kunnen leiden tot bloedingen. De Hemosure One-step immunological Fecal occult bloed test kan in tegenstelling tot de standaard occult bloed test op basis van de guaiac methode zonder enige beperking op voedsel of medicijnen uitgevoerd worden. Een negatieve uitslag betekent dat er geen bloed wordt aangetoond. Bij een positieve uitslag wordt, bij voorkeur, gedurende een periode verspreid over verschillende dagen het onderzoek herhaald om te bevestigen dat de aanwezigheid van bloed in de feces niet eenmalig (toevallig) is. Als het resultaat meerdere dagen achter elkaar positief is, wordt aanvullend onderzoek uitgevoerd om de aanwezigheid van darmkanker vast te stellen dan wel uit te sluiten.

Ingangsdatum:  

De Hemosure One-step immunological Fecal occult bloed test is een eenvoudige  sandwich kleurstof geconjugeerde immunoassay. Het maakt gebruik van een  unieke combinatie van monoklonale en polyklonale antilichamen voor de  kwalitatieve detectie van hemoglobine in fecesmonsters vanaf 0.05 μg hHb/ml. De  gelabelde antilichaam-kleurstof conjugaat bindt aan de hemoglobine in het  fecesmonster waardoor een antilichaam-antigeen complex wordt gevormd. Dit  complex bindt aan het anti-hemoglobine antilichaam in het positieve reactie  testgebied en een gekleurde band komt te voorschijn. Indien het fecesmonster geen hemoglobine bevat, zal er in het positieve reactie testgebied geen band tevoorschijn  komen. Het verschijnen van een gekleurde band in het controle testgebied dient als  een interne procedurele controle. 

Matrix:  Vers fecesmonster verzameld in een schone en droge feces bakje. 

Volume:  NVT

Frequentie:  Dagelijks 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Parathyroidhormoon (PTH)

Naam bepaling: Parathyroidhormoon (PTH) 

Eenheid: pg/ml 

Referentiewaarden: 15 – 65 pg/ml 

Klinische betekenis:  

Parathyroïdhormoon (PTH) wordt gevormd en afgescheiden door de bijschildklieren. Intact PTH bestaat uit 84 aminozuren. Het biologisch actieve N-terminale fragment heeft een halfwaardetijd van enkele minuten. PTH wordt gereguleerd door het geïoniseerd calcium in lichaamsvloeistoffen. De uitscheiding van PTH wordt geremd door hoge calcium concentraties en bevorderd door lage calcium concentraties. 

PTH werkt op bot en nier, secundair via het effect van vitamine D op de darm. 

Verhoogde werking van de bijschildklieren, hyperparathyroïdie, wordt veroorzaakt door adenoma’s van de bijschildklieren. De PTH bepaling wordt tijdens operatie gebruikt als controle op volledige verwijdering van een bijschildklier adenoom. Ook wordt de PTH bepaling toegepast voor: 

– diagnostiek bij patiënten met hoge calciumwaarden; bij verdenking op hyperparathyroïdie. 

– diagnostiek bij hypocalciëmie 

– bij patiënten met chronisch nierlijden bij beoordeling van hun secundaire hyperparathyroïdie. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, ECLIA; Sandwich principe. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum 

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 50 µl. 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  In bekertje met water en ijs 

Transportcondities:  KT

 

Section

Naam bepaling: PCP One Step Phencyclidine Test strip 

Eenheid: Kwalitatief 

Referentiewaarden: Negatief 

Klinische betekenis:  

De PCP One Step Phencyclidine Test Strip is een laterale flow immunoassay voor de kwalitatieve detectie van Phencyclidine concentratie in urine. Phencyclidine, ook bekend als PCP, is een hallucinogeen dat in de jaren 50 op de markt is gebracht als chirurgisch verdovingsmiddel. Later is PCP van de markt verwijderd, omdat het bij de patiënten hallucinaties veroorzaakte. PCP is als poeder, capsule en in tabletvorm verkrijgbaar. PCP wordt meestal geïnhaleerd, maar kan ook intraveneus of oraal toegediend worden. Lage dosis PCP leidt tot stemmingswisselingen variërend van euforie tot depressie bij de gebruikers. Phencyclidine kan binnen 4 tot 6 uur na gebruik in de urine worden aangetoond en blijft 7 tot 14 dagen aantoonbaar afhankelijk van verschillende factoren zoals de stofwisseling, leeftijd, gewicht en dieet. PCP wordt voor 4 tot 19% als ongewijzigd drug in de urine uitgescheiden en 25% tot 30% als geconjugeerd metaboliet. 

Ingangsdatum:  

De PCP One Step Phencyclidine Test Strip is een eenvoudige immunoassay dat berust op de competitieve binding principe voor de Phencyclidine detectie in urine. Indien aanwezig in het urinemonster, zal Phencyclidine met de geïmmobiliseerde Phencyclidine conjugaat concurreren voor anti-Phencyclidine antilichaam bindingsplaatsen. Bij een concentratie lager dan 25 ng/ml zal Phencyclidine de bindingsplaatsen van de met anti-Phencyclidine antilichaam gecoate partikels in de teststrip niet verzadigen. Het geïmmobiliseerde Phencyclidine conjugaat zal dan aan de anti-Phencyclidine antilichamen binden en een gekleurde lijn zal tevoorschijn komen in het testgebied. Phencyclidine zal bij een concentratie groter dan 25 ng/ml alle anti-Phencyclidine antilichaam bindingsplaatsen verzadigen waardoor geen gekleurde lijn in het testgebied tevoorschijn komt. 

Matrix:  Urinemonsters ter plaatse (op elk moment van de dag) verzameld in schone en  droge urinepotjes. 

Volume:  1 ml 

Frequentie:  Zonodig. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT 

Transportcondities:  KT

 

pH (zuurgraad)

Naam bepaling: pH (zuurgraad) 

Eenheid: Waarde (getal) 

Referentiewaarden: 8-May 

Klinische betekenis:  

De pH (zuurgraad) van urinemonsters wordt gescreend met urine teststrips die voorzien zijn van reagenspad voor verschillende urinebestanddelen. De bepaling van de pH geschied met een mengsel van pH-indicatoren  met kleuren variërend van geel tot blauw binnen een pH-waardemarge van 5 tot 9. De waarde van de teststrip is niet gelegen in het onderkennen van pathologie met blijvend zure urine (metabole, respiratoire acidose) of blijven alkalische urine ( metabole, respiratoire alkalose, bepaalde diuretica, Proteusinfectie) maar eerder in de gevolgen van een hoge pH (door te lang bewaren van het urinemonster) voor de testvelden eiwit en nitriet en een lage pH (< 6) voor de testvelden leukocyten en erytrocyten.  

De pH waarde van urine varieert van 5 tot 8, afhankelijk van het soort dieet. Normale urine heeft een pH rondom 6. 

Ingangsdatum:  Aution Hybrid AU-4050; teststrip. Zie SOP Aution Hybrid AU-4050 U015/AH 

Matrix:  Urine 

Volume:  Minimaal 2 ml. 

Frequentie:  Dagelijks van maandag tot en met zaterdag 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Phadiatop (Inhalatiemix)

Naam bepaling: Phadiatop (Inhalatiemix) 

Eenheid: Semi-kwantitatief (-; +) 

Referentiewaarden: Negatief (< 0.35  kUA/l) 

Klinische betekenis:  

Immunocap Phadiatop is een test voor het aantonen van IgE antisoffen in bloed. 

Phadiatop is van toepassing bij onderzoek naar inhalatie allergieën. De test geeft onderscheid tussen atopisch en niet-atopische patiënten. Atopie is de aanwezigheid van IgE specifieke antistoffen tegen gewone omgevingsallergenen uit de lucht. De resultaten worden kwalitatief doorgegeven. Een negatief resultaat betekent dat de patiënt niet atopisch is (niet gesensibiliseerd) voor inhalatieallergenen, en een positief resultaat geeft aan dat de patiënt atopisch is. Bij allergie kan contact met een allergeen een verscheidenheid aan symptomen veroorzaken; leeftijd speelt hierbij een rol. Inhalatie-allergie bv. kan zich uiten in respiratoire symptomen (hetgeen veelal het geval is) doch ook in huidaandoeningen en/of gastro-intestinale aandoeningen. Als men de mogelijkheid van de verscheidenheid aan lokalisaties niet voor ogen houdt, kan de diagnostiek nodeloos ingewikkeld worden. De symptomen van allergie (o.a. astma, hooikoorts, eczeem en diarree) variëren in complexiteit, ernst en uiting. Bij atopische allergie kan het effect van blootstelling aan het allergeen acuut zijn. Bij een positief resultaat wordt verder getest op specifieke IgE allergenen. Hiervoor zijn (in het MLS testpakket) de volgende mengsels beschikbaar: Wx1 (kruidenmix), Mx2 (schimmelmix), Ex1 (huisdierenmix), Hx2 (huisstofmijtmix), Gx2 (grasmix) en T20 (Mesquite). 

Ingangsdatum: 

ImmunoCAP/Phadia 100;  ELIA technologie. 

Zie SOP ImmunoCAP/Phadia 100 

Matrix:  Serum 

Volume:  Minimaal 2 ml. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT

Transportcondities:  KT

 

Progesteron

Naam bepaling: Progesteron 

Eenheid: ng/dl 

Referentiewaarden: Vrouw: folliculaire fase: 20 – 150 ng/dl    ovulatie:   80 – 300 ng/dl lutheale fase: 170 – 2700 ng/dl menopauze:  10 – 80 ng/dlMan: 20 – 140 ng/ 

Klinische betekenis:  

Progesteron is het belangrijkste steroïd hormoon, geproduceerd door het corpus luteum en is een goede parameter voor de activiteit van deze ovariële structuur. Al hoewel progesteron in de folliculaire fase van de vrouwelijke cyclus nauwelijks aantoonbaar is, wordt een stijging van het progesteron gehalte gezien op de dag voor de ovulatie plaats vindt. De bepaling van progesteron wordt toegepast bij het onderzoek van vrouwelijke infertiliteit om de ovulatie te bepalen en de luteale fase vast te stellen. 

Progesteron is een belangrijke precursor voor de steroïdproduktie in bijnier, testis en ovarium. Bij het optreden van defecten in de enzymen die nodig zijn voor de steroïdbiosynthese zal progesteron in verhoogde mate geproduceerd worden. 

Gedurende zwangerschap wordt progesteron gevormd in de placenta. Langer dan 10-12 dagen verhoogde progesteronspiegel kan wijzen op een zwangeschap, die bewezen kan worden door hCG te bepalen. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, electrochemiluminiscentie immunoassay competitieve principe. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum  

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 30 µl. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT 

Transportcondities:  KT

 

Prolactine

Naam bepaling: Prolactine 

Eenheid: ng/ml 

Referentiewaarden: Vrouw : 4.8 – 23.3 ng/ml Man : 4.0 – 15.2 ng/ml 

Klinische betekenis:  

Prolactine is een enkelstrengs polypeptide hormoon van de hypofysevoorkwab met een molecuulgewicht van 23.000 D. Prolactine speelt een belangrijke rol in de stimulatie en ontwikkeling van mamae en lactogenese. Prolactine is tevens een “stress-hormoon”; tijdelijk verhoogd bij bloedafname, tandextractie, operatie, etc. Het heeft een dag- en nachtritme; verhoogd in de vroege morgen en laag in de avond. De prolactinetest dient als een hulpmiddel voor de diagnose en behandeling van amenorroe, lactatie en hypothalamus-hypofyse aandoeningen. 

Bij een prolactinoom in de hypofyse kan het prolactinegehalte in serum >10x de referentiewaarde zijn. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, ECLIA; Sandwich principe. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 10 µL. 

Frequentie:  2x per week 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT 

Transportcondities:  KT

 

Prostaat specifiek antigeen (PSA)

Naam bepaling: Prostaat specifiek antigeen (PSA) 

Eenheid: ng/ml 

Referentiewaarden: < 40 jr. < 1.4 ng/ml40 – 50 jr. < 2.0 ng/ml50-60 jr. < 3.1 ng/ml60-70 jr. < 4.1 ng/ml> 70 jr. < 4.4 ng/ml 

Klinische betekenis:  

Prostaatspecifiek antigeen is een glycoproteïne die behoort tot de familie van proteases. De biologische functie van PSA is in de vervloeiïng van de semencoagulum, waarbij het aangrijpt op de meest voorkomende eiwit uit de zaadblaasjes (seminogeline). PSA komt voornamelijk voor in de epitheelcellen van de prostaatductus en in zeer hoge concentraties in de zaadvloeistof. Recent is gebleken dat ook andere weefsels zoals schildklier, de speeksel- en melkklieren PSA kunnen aanmaken. In het bloed komt PSA voor gebonden aan macroglobulinen (deze vorm is niet detecteerbaar met immunoasays), in vrije vorm of gebonden aan α-antichymotrypsine. De som van vrij en gebonden PSA wordt totaal PSA genoemd. De vrij/totaal ratio is de verhouding van vrij PSA/{vrij PSA + PSA-ACT complex}. De V/T ratio kan een indicatie zijn voor de kans dat een maligniteit aanwezig is. Hoe lager de V/T ratio hoe hoger de kans. 

Sterke PSA verhogingen komen feitelijk alleen voor bij carcinomen van de prostaat. PSA kan de aanwezigheid detecteren van tumoren die gemist worden bij rectaal onderzoek. Het effect van therapie van prostaatcarcinoom kan met de bepaling van PSA uitstekend gevolgd worden. Bij succesvolle radicale prostatectomie zal de PSA-spiegel dalen tot onder de detectiegrens van de methode. 

Aspecifieke PSA verhoging komt voor bij acute prostatitis, welke bij succesvolle behandeling daarvan weer verdwijnt. Ook rectaal toucheren kan de PSA spiegel laten stijgen. 

Ingangsdatum:  Cobas 6000, electrochemiluminiscentie immunoassay sandwich principe. Zie SOP Cobas 6000. 

Matrix:  Serum

Volume:  Bij de analyse gebruikte hoeveelheid monster 20 µL. 

Frequentie:  Dagelijks. 

Voorbereiding:  NVT

Afnamecondities:  KT 

Transportcondities:  KT

 

Protrombinetijd (PT)

Naam bepaling: Protrombinetijd (PT) 

Eenheid: Seconden INR 

Referentiewaarden: 12 – 15 sec. Reference time: 13.5 sec 

Klinische betekenis:  

De protrombinetijd (PT) is een screeningstest voor afwijkingen in de extrinsieke stolweg en wordt tevens gebruikt om de orale antistollingstherapie te controleren (PT-INR).   

De extrinsieke stolweg bevat de vitamine K afhankelijke factoren II, VII, IX en X. Bij de orale antistollingstherapie worden coumarine-derivaten (Acenocoumarol, Phenprocoumon of Warfarine) toegediend. Coumarine zorgt voor een competitie met vitamine K, waardoor er onwerkzame voorstadia van voor coumarine gevoelige stollingsfactoren gevormd worden. (PIVKA’s = “Proteins Induced by Vitamin-K Absence”). Redenen voor een blijvende controle zijn, dat patiënten verschillend reageren op een orale dosis coumarine-derivaten, door o.a. verschillende absorptie in de darm, invloed van andere geneesmiddelen en laxantia. 

De protrombinetijd is verlengd bij o.a.: 

– een tekort aan de factoren (X, VII, V, II) van de extrinsieke weg  

– coumarine-therapie 

– vitamine-K-tekort 

– hoge concentratie splitsingsprodukten 

– ernstige leverziekten 

Ingangsdatum:  

STA Compact stollin